Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2016-466 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2016-466
(mr. P.A. Offers, voorzitter, mr. A.M.T. Wigger, mr. dr. S.O.H. Bakkerus en
mr. M.B. Beunders, secretaris)

Klacht ontvangen op : 22 december 2015
Ingediend door : Consument
Tegen : Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V., gevestigd te ‘s
Gravenhage, verder te noemen Verzekeraar
Datum uitspraak : 4 oktober 2016
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting
Lijfrenteverzekering. Consument met de buitenlandse nationaliteit heeft in de jaren ’90 twee lijfrenteverzekeringen bij Verzekeraar afgesloten met expiratiedatum in 2014. Verzekeraar biedt na de expiratie Consument geen direct ingaande lijfrente aan, gelet op de omstandigheid dat Consument met de buitenlandse nationaliteit op dit moment woonachtig is in het buitenland. Consument vordert revisierente en verschuldigde inkomstenbelasting, omdat de Belastingdienst het vrijgekomen kapitaal als belaste afkoop beschouwd. De Commissie overweegt dat Verzekeraar niet gehouden was aan Consument een direct ingaande lijfrente aan te bieden. Daarnaast overweegt de Commissie dat Verzekeraar niet gehouden was te waarschuwen voor fiscale consequenties met betrekking tot verhuizing naar het buitenland, nu daartoe geen aanleiding bestond. Tot slot komt de Commissie tot de conclusie dat Verzekeraar geen discriminatoir beleid hanteert, nu gebleken is dat niet de nationaliteit van doorslaggevende betekenis is geweest bij de beleidsvoering. De vordering van Consument wordt afgewezen.
1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

• het door Consument (digitaal) ingediende klachtformulier;
• de klachtbrief van Consument;
• het verweerschrift van Verzekeraar;
• de repliek van Consument;
• de dupliek van Verzekeraar;
• de verklaring van Consument met diens keuze voor bindend.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies. De Commissie stelt vast dat het niet nodig is de zaak mondeling te behandelen. De zaak kan daarom op grond van de stukken worden beslist.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Consument heeft in 1994 bij rechtsvoorganger van Verzekeraar een lijfrenteverzekering met de naam ‘Koopsompolis’ afgesloten (hierna: Verzekering 1).
De verzekering heeft als ingangsdatum 31 december 1994. De koopsom bedraagt
€ 4.643,53 (NLG 10.233,00). De ingangsdatum van de lijfrente is 7 juni 2014.

2.2 Op het polisblad staat voor zover relevant het volgende:

‘Het lijfrentekapitaal ad. F 36.603,00 dient als rekengrootheid voor de navolgende verzekerde uitkering(en):

– Een tijdelijke oudedagslijfrente conform artikel 6.3 van de Polisvoorwaarden.’

2.3 De bijbehorende polisvoorwaarden zijn L9301. Artikel 6.3 en 11.2 van de polisvoorwaarden luiden achtereenvolgens:

‘De volgens het polisblad verzekerde uitkering van tijdelijke oudedagslijfrente betreft een tijdelijke lijfrente op het leven van de begunstigde, ingaande op de lijfrente-ingangsdatum, indien de verzekerde dan in leven is, die verkregen kan worden voor het lijfrentekapitaal, en die overigens wat hoogte en duur betreft voldoet aan de vereisten, gesteld in artikel 45 lid 1 letter g onder 4e van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (of een daarvoor in de plaats tredende bepaling).’

en

‘Indien daartoe wettelijk verplicht, zal de verzekeraar op de uitkeringen inhoudingen verrichten.’

2.4 Consument heeft 1997 eveneens bij rechtsvoorganger van Verzekeraar een lijfrenteverzekering afgesloten. Het betreft een zogenoemde ‘Prive Pensioen Polis’ (hierna: Verzekering 2). De ingangsdatum is 5 december 1997. De einddatum is 1 juli 2014.

2.5 Per datum van 5 januari 2006 is de verzekering premievrij gemaakt. Consument ontvangt een nieuw polisblad, gedateerd 27 april 2006.
Op dit gewijzigde polisblad is voor zover relevant opgenomen:

‘Bij in leven zijn van de verzekerde op de lijfrente-ingangsdatum wordt een oudedagslijfrente, conform de voorwaarden van de verzekering uitgekeerd op basis van een lijfrentekapitaal ter grootte van € 19.583,00.’

2.6 Op Verzekering 2 zijn van toepassing de ‘Polisvoorwaarden L9606’, ‘L9411’ en
‘Clausulenummer 044’. Artikel 10.2 van de ‘Polisvoorwaarden L9609’ de volgende strekking:

‘Indien daartoe wettelijk verplicht, zal de verzekeraar op de uitkeringen inhoudingen verrichten.’

2.7 In 2007 remigreert Consument, die de [Buitenlandse] Nationaliteit heeft, naar [Land].
Consument stelt Verzekeraar hiervan niet op de hoogte.

2.8 Verzekering 1 is geëxpireerd op 7 juni 2014. Verzekering 2 expireert op 1 juli 2014. De waarde van het opgebouwde kapitaal uit Verzekering 1 en Verzekering 2 bedraagt in totaal
€ 36.290,00.
Consument wordt door Verzekeraar op de hoogte gesteld dat hij een lijfrenteproduct ter zake het vrijgekomen kapitaal dient aan te kopen. Verzekeraar informeert Consument dat zij geen direct ingaande lijfrentes aanbiedt aan Consument vanwege het feit dat hij als [Buitenlandse] staatsburger geremigreerd is naar [Land].

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering Consument
3.1 Consument vordert revisierente over het opgebouwde kapitaal ter hoogte van een bedrag van € 7.258,00. Voorts vordert Consument een bedrag van € 4.696,00 ter zake van verschuldigde inkomstenbelasting, nu hij over het vrijgekomen kapitaal in eenmaal inkomstenbelasting verschuldigd is.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag.
• Het doel van het afsluiten van de lijfrenteverzekeringen was dat Consument (deels) in zijn onderhoud zou kunnen voorzien tot het moment dat hij met pensioen zou gaan.
• Dat Consument met de lijfrenteverzekeringen een direct ingaande lijfrente zou kunnen verkrijgen volgt uit het voorblad van Verzekering 1 en artikel 6.3 van de polisvoorwaarden van Verzekering 1. Ook volgt dit uit artikel 6.1 van Verzekering 2. Aan de enkele voorwaarde voor het uitkeren van een direct ingaande lijfrente, het in leven zijn van Consument op de einddatum van de van de polissen, 7 juni 2014 respectievelijk 1 juli 2014 was immers voldaan.
• Verzekeraar is volgens de polisvoorwaarden verplicht om Consument een direct ingaande lijfrente te verschaffen. Verzekeraar heeft niet de beleidsvrijheid ervoor te kiezen om Consument geen direct ingaande lijfrente te verschaffen. Consument stelt dat sprake is van wanprestatie.
• Verzekeraar had Consument voorafgaande aan het sluiten van de verzekeringen erover behoren in te lichten dat geen direct ingaande lijfrente zou kunnen worden verschaft aan [Buitenlandse] staatsburgers. Indien Verzekeraar dit beleid had vermeld bij het aangaan van de verzekeringen, had Consument de verzekeringen niet afgesloten.
• Het beleid van Verzekeraar is discriminatoir- en daarmee onrechtmatig- jegens
Consument. Enkel omdat Consument [Buitenlandse] staatsburger is wil Verzekeraar
geen direct ingaande lijfrente verschaffen. De zoon van Consument heeft van
Verzekeraar begrepen dat wel een direct ingaande lijfrente verschaft zou kunnen
worden als consument woonachtig zou zijn in [Land] en de Nederlandse
nationaliteit zou bezitten.

Verweer Verzekeraar
3.3 Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
• In de polisbladen van Verzekering 1 en Verzekering 2 staat beschreven wat per de lijfrente-ingangsdatum met het alsdan beschikbare lijfrentekapitaal moet gebeuren. Die beschrijving is afgeleid van de fiscale wetgeving ten tijde van het sluiten van de beide verzekeringen.

De verzekeringen (1994 en 1997) zijn afgesloten onder het fiscale regime van de Brede Herwaardering. Onder de toenmalige Wet op inkomstenbelasting 1964 was deze polisredactie, te weten de direct ingaande lijfrente, een vereiste om de premie in Nederland ten laste van het inkomen te kunnen brengen. Aan deze redactie mag niet de conclusie worden verbonden dat de opbouw van het lijfrentekapitaal respectievelijk de uitkering van een direct ingaande lijfrente plaatsvindt binnen één en dezelfde overeenkomst. In de polisredactie wordt de besteding van het lijfrentekapitaal in een direct ingaande lijfrente voorgeschreven maar is nog niet een direct ingaande lijfrente overeengekomen. Zo zijn bijvoorbeeld per de lijfrente-ingangsdatum de alsdan gangbare rekenregels (waaronder de rentestand) nog van invloed op de aan te kopen lijfrente. Zou dat niet het geval zijn, dan zou er sprake zijn van een uitgestelde, zuivere lijfrente. En dat is bij Consument niet het geval.
• Een levensverzekeraar heeft een bepaalde vrijheid om de voorwaarden te bepalen waaronder zij een aanvraag accepteert. Of Verzekeraar de verzekering accepteert of niet is onder andere afhankelijk van persoonlijke gegevens zoals het land waar de consument woonachtig is, de nationaliteit en/of medische gegevens. Er geldt voor levensverzekeringen geen acceptatieplicht.
• Consument is woonachtig in [Land], in de provincie [naam provincie]. Naar informatie van Verzekeraar is in die provincie de Insurance Act van kracht. Deze wet stelt voorwaarden aan het mogen aanbieden van (levens)verzekeringen aldaar. Hieronder valt ook een vergunningsplicht en het optreden van een toezichthouder. Ook worden er vereisten gesteld waarin verzekeraars met klanten dienen te communiceren. De Insurance Act geeft verder aanleiding om te veronderstellen dat premies dan wel verzekeringen grondslag zijn voor fiscale verplichtingen voor de verzekeraar.
• Verzekeraar stelt zich tot slot op het standpunt dat geen sprake is van een discriminatoir beleid. In het geval dat het land waar de klant op dat moment woont, de mogelijkheid van de rechtskeuze toelaat, bestaat de optie om de overeenkomst te sluiten naar Nederlands recht. Die keuze bestaat in veel gevallen alleen als de betreffende klant de Nederlandse nationaliteit heeft. Verzekeraar maakt niet omwille van de nationaliteit zelf een verschil in beleid, maar enkel vanwege de juridische en fiscale belemmeringen die een niet-Nederlandse nationaliteit met zich meebrengt. Daarnaast geldt dat ook indien een klant over de Nederlandse nationaliteit beschikt, niet in alle gevallen standaard een aanbieding van een direct ingaande lijfrente wordt gedaan.

4. Beoordeling

4.1 De kern van de klacht, zo begrijpt de Commissie, ziet op de vraag of Verzekeraar in 2014 gehouden was conform de polisvoorwaarden aan Consument een direct ingaande lijfrente aan te bieden. De tweede vraag die de Commissie dient te beantwoorden is of Verzekeraar bij het sluiten van de lijfrenteverzekeringen de plicht had Consument te waarschuwen voor de fiscale consequenties indien Consument naar [Land] zou remigreren. Tot slot zal de Commissie een antwoord dienen te geven op de vraag of het beleid van Verzekeraar discriminatoir is.

4.2 Niet in geschil is dat Consument twee lijfrenteverzekeringen bij de rechtsvoorganger van Verzekeraar heeft afgesloten op het moment dat hij in Nederland woonachtig was, dat Consument in 2007 is geremigreerd en dat de lijfrenteverzekeringen van Verzekering 1 en Verzekering 2 in 2014 zijn geëxpireerd. Tot slot is niet betwist Consument pas in 2013 aan Verzekeraar kenbaar heeft gemaakt dat hij de [Buitenlandse] nationaliteit had en geremigreerd was naar [Land].

4.3 Vooreerst dient de Commissie in te gaan op de vraag of Verzekeraar de plicht had om aan Consument een direct ingaande lijfrente aan te bieden. Of er een acceptatieplicht geldt dient te worden bepaald aan de hand van de polisvoorwaarden. Bij de uitleg van polisvoorwaarden komt het niet uitsluitend aan op een zuiver taalkundige uitleg, maar is bepalend de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dit volgt uit het Haviltex-criterium (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635). Hierna zal de Commissie de betekenis vaststellen.

4.4 Vaststaat dat Consument bij Verzekeraar twee lijfrenteverzekeringen heeft afgesloten met het doel om (deels) in zijn onderhoud te kunnen voorzien tot het moment dat hij met pensioen gaat. Inherent aan een lijfrente, welke het doel heeft na expiratie ervan te voorzien in een oudedagsvoorziening, is dat deze in overwegende mate beïnvloed wordt door de fiscale wet- en regelgeving van het land waar de lijfrente wordt aangeboden. Dit volgt voor Consument uit de polisbladen en de polisvoorwaarden van Verzekering 1 en Verzekering 2, waarin staat vermeld dat het lijfrentekapitaal dient te voldoen aan de vereisten van artikel 45 lid 1 letter g onder 4 e van de Wet op Inkomstenbelasting 1964. Ook duiden artikel 11.2 van Verzekering 1 en artikel 10.2 van Verzekering 2 op de mogelijkheid dat Verzekeraar, indien hij daartoe wettelijk verplicht is, inhoudingen op de uitkeringen zal verrichten. Bovendien vormen de premies van de lijfrente een aftrekpost bij de belastingaangifte. Ook bij een zogenoemde ‘koopsompolis’ is de eenmalig gestorte premie onder bepaalde voorwaarden fiscaal aftrekbaar.

4.5 Eveneens inherent aan een lijfrente is dat deze voorziet in een opbouwfase en een afbouwfase. Met de lijfrenteverzekeringen wordt gedurende de looptijd een kapitaal opgebouwd. Op het moment waarop de lijfrenteverzekering expireert, aan het einde van de looptijd, dient het vrijgekomen kapitaal te worden aangewend om een lijfrenteproduct aan te kopen. Feitelijk kan daarmee worden gesproken van twee afzonderlijke financiële producten en daarmee ook twee aparte overeenkomsten. Deze twee financiële producten kunnen bij een en dezelfde verzekeringsmaatschappij worden afgenomen. Denkbaar is echter ook dat het lijfrenteproduct wordt afgenomen bij een andere verzekeringsmaatschappij dan de maatschappij wie de geëindigde lijfrenteverzekering is afgesloten.

4.6 Uit het polisblad van Verzekering 1 valt op te maken dat het lijfrentekapitaal dient als
rekengrootheid voor de tijdelijk oudedagslijfrente. Bovendien volgt uit artikel 6.3 van de bijbehorende polisvoorwaarden dat het een tijdelijke oudedagslijfrente betreft op het leven van de begunstigde, ingaande op de lijfrente-ingangsdatum, indien de verzekerde dan in leven is en die verkregen kan worden voor het lijfrentekapitaal (…). Dezelfde zinsnede is eveneens terug te vinden in artikel 6.1 van de bijbehorende polisvoorwaarden van Verzekering 2.
Dit artikel luidt dat de uitkering van de oudedagslijfrente een levenslange lijfrente betreft op het leven van de begunstigde, ingaande op de lijfrente- ingangsdatum, indien de verzekerde dan in leven is, die verkregen kan worden voor het lijfrentekapitaal.

4.7 De eerste vraag of Verzekeraar conform de polisvoorwaarden de plicht had om Consument in 2014 een direct ingaande lijfrente aan te bieden beantwoordt de Commissie ontkennend. De Commissie concludeert dat in het onderhavige geval Consument had kunnen en moeten begrijpen dat hij na de expiratie van Verzekering 1 en Verzekering 2 een nieuw lijfrenteproduct moest aanschaffen, waarvoor hij een nieuwe overeenkomst zou moeten afsluiten. De Commissie overweegt dat Verzekeraar niet gehouden was aan Consument in 2014 een direct ingaande lijfrente aan te bieden.

4.8 De tweede vraag die de Commissie dient te beantwoorden is of Verzekeraar bij het sluiten van de lijfrenteverzekeringen in 1994 en 1997 de plicht had Consument te waarschuwen voor de fiscale consequenties indien Consument naar [Land] zou remigreren. Op het aanvraagformulier is een Nederlands post- adres opgegeven. Voorts blijkt uit het aanvraagformulier dat de nationaliteit niet hoefde worden op te geven. De Commissie overweegt dat Verzekeraar in het onderhavige geval niet gehouden was om Consument te vragen naar zijn nationaliteit of zijn (r)emigratieplannen, nu hij daartoe geen aanleiding had. Uit de stukken in het dossier is gebleken dat Consument reeds ten tijde van het afsluiten van de verzekeringsovereenkomsten voornemens was om te remigreren naar [Land], maar dat hij Verzekeraar hierover niet heeft geïnformeerd. De Commissie overweegt dat niet kan worden gesteld dat Consument de verzekeringsovereenkomsten in 1994 en 1997 door toedoen van Verzekeraar onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken heeft gesloten. Het lag op de weg van Consument om Verzekeraar te informeren over zijn remigratieplannen. Consument heeft dit nagelaten, waardoor de gevolgen ervan voor zijn risico dienen te komen.

4.9 Tot slot staat de Commissie voor de vraag of het beleid van Verzekeraar discriminatoir is zoals Consument heeft betoogd. De Commissie volgt de stelling van Consument niet voor zover hij stelt dat Verzekeraar een discriminatoir beleid voert. Hiertoe is het volgende van belang. Consument heeft in de procedure aangevoerd dat Verzekeraar hem geen direct ingaande lijfrente heeft aangeboden vanwege het feit dat hij de [Buitenlandse] nationaliteit bezit én woonachtig is in [Land]. Uit het dossier is echter naar voren gekomen dat Verzekeraar het beleid heeft om geen direct ingaande lijfrenteproducten aan te bieden aan personen met een buitenlandse nationaliteit én woonachtig in het buitenland, omdat de financieel dienstverlener onvoldoende op de hoogte is van de fiscale en juridische wetgeving in het buitenland. Enkel in het geval dat het land, waar de klant op dat moment woonachtig is, de rechtskeuze toelaat voor Nederlands recht kan het zijn dat Verzekeraar wel een direct ingaande lijfrente aanbiedt. Ook volgt uit de stukken dat in de gevallen waarin een klant wel de Nederlandse nationaliteit heeft niet zonder meer door Verzekeraar een lijfrenteproduct wordt aangeboden. Gelet op bovenstaande overweegt de Commissie dat aldus niet kan worden gesproken van een discriminatoir beleid. Immers is de nationaliteit niet van doorslaggevende betekenis gebleken bij de beleidsvoering van Verzekeraar.

4.10 Ten overvloede merkt de Commissie nog het volgende op. Gelet op de toenemende migratie van klanten naar het buitenland acht de Commissie het wenselijk dat Verzekeraars expliciet aangeven dat het door hen aangeboden financiële product uitgaat van het feit dat het Nederlands belastingstelsel van toepassing is en om die reden deze producten zich niet lenen voor verstrekking in situaties waarin een ander belasting of rechtsstelsel van toepassing kan zijn. Op deze wijze kan onduidelijkheid hierover in de toekomst worden voorkomen.

4.11 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de klacht van Consument ongegrond is
en de vordering moet worden afgewezen. Alle overige door partijen ingebrachte
stellingen en argumenten kunnen niet tot een ander oordeel leiden en zullen onbesproken blijven.

5 Beslissing

De Commissie wijst de vordering af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact