Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2017-010 (bindend)

Uitspraak Commissie van Beroep 2017-010 d.d. 14 maart 2017
(mr. C.A. Joustra, voorzitter, mr. A. Bus, mr. J.B. Fleers, F.R. Valkenburg AAG RBA, leden, en
mr. H.C. Dobbelaar-ten Cate, secretaris)

Samenvatting

Hypotheek, overkreditering: Bank heeft het toekomstig inkomen redelijkerwijs kunnen schatten. Beleggen, Bank behoefde er niet op toe te zien dat het beleggingsdoel (aflossing hypotheek) zou worden behaald. Marginverplichting, onjuiste mededeling van de Bank over het tijdstip waarop het margintekort moest zijn opgeheven, eigen verantwoordelijkheid Belanghebbende.

Klik hier voor de uitspraak in eerste aanleg.

1. De procedure in hoger beroep

1.1 Bij een op 30 juni 2016 door de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening (verder: Commissie van Beroep) ontvangen beroepschrift hebben Belanghebbenden een uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (verder: Geschillen¬com¬missie) van
3 juni 2016 (kenmerk [nummer]) ter toetsing voorgelegd.

1.2 De Bank heeft een op 7 oktober 2016 gedateerd verweerschrift ingediend.

1.3 De Commissie van Beroep heeft het beroep mondeling behandeld op 12 december 2016. Beide partijen waren aanwezig. Belang¬hebbenden hebben een pleitnotitie overgelegd.

1.4 Beide partijen hebben ter zitting ermee ingestemd dat, in verband met een plotselinge verhindering van een van de aangewezen leden, het beroep door vier (in plaats van vijf) leden van de Commissie van Beroep zal worden behandeld en beslist.

2. De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst de Commissie van Beroep naar de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van de Geschillencommissie.

3. Inleiding op de beoordeling van het beroep

3.1 De Commissie van Beroep zal uitgaan van de door de Geschillencommissie vastgestelde feiten, nu deze in beroep niet zijn bestreden. Het gaat in deze zaak om het volgende.

i. De Bank heeft op 19 maart 2008 aan Belanghebbenden een offerte uitgebracht voor een aflossingsvrije hypothecaire geldlening met een (in beginsel) onbepaalde looptijd ten bedrage van € 1,4 miljoen tegen een rente van 4,4% (5 jaar rentevast). De lening was bedoeld voor de aankoop van een woning te [woonplaats] op naam van [naam 1]. De koopsom van de woning bedroeg € 1.235.000,-.

ii. De offerte vermeldt dat Belanghebbenden aan de Bank de volgende zekerheden zullen geven:

“Te vestigen hypotheek ter grootte van € 1.500.000,–
– als eerste op het perceel grond met woonhuis en toebehoren (…) te [woonplaats].
Verpanding van:
– Uw beleggingsportefeuille bestaande uit het saldo op een of meerdere effecten-rekeningen bij onze bank. U bent verplicht op deze effecten¬rekening(en) uiterlijk op de datum van verstrekking van de geldlening effecten met een minimale waarde van € 300.000,– in te leggen.
– Polis bij [naam 3] met polisnummer [nummer] met een overlijdens¬risico¬dekking van GPB 195.000,00 op het leven van de heer [naam 2]. Dit betreft een directe verpanding van de maatschappij aan [naam bank] (…).”

iii. Onder het kopje “Overige bepalingen” vermeldt de offerte onder meer:

– “Het bedrag van de in deze offerte aangeboden financiering is hoger dan het bedrag dat u standaard op basis van de normen van de Gedragscode Hypothecaire Financieringen kunt lenen. Dit kan voor u tot betalingsproblemen leiden en hierdoor kunt u gedwongen worden het verbonden registergoed (doorgaans uw woning) te verkopen. Door ondertekening van deze offerte verklaart u dat de bank u heeft gewezen op de overschrijding van de normen en de daaraan verbonden risico’s en dat u deze risico’s begrijpt en aanvaardt.
– Wij hebben u gewezen op de fiscale gevolgen van het aanwenden van geleend geld voor andere bestedingsdoelen dan uw eigen woning.
– De huidige verstrekking is gebaseerd op het toekomstig inkomen van de heer [naam 2], u voldoet hierdoor niet aan de inkomenslasten normen van de [naam bank] organisatie. Zolang het inkomen van [naam 2] ontoereikend is voor de financiering zal het vermogen van € 300.000,00 aan [naam bank] (…) worden verpand. Zodra door inkomen wel aan de inkomstenlastenverhouding wordt voldaan dan zal het vermogen aan de bank verpand worden in verband met de zekerheid van uw woning, [waaraan handgeschreven is toegevoegd, Com-missie van Beroep], tenzij aflossingsregeling is overeengekomen.”

iv. In de bij de offerte behorende aanbiedingsbrief is ter zake van het bedrag van € 300.000,- nog het volgende vermeld:

“Op uw beleggersrekening stort u eenmalig een bedrag van € 300.000,-. Bij de keuze van de beleggingsfondsen bent u volledig vrij. Het kapitaal dat u op¬bouwt, wordt verpand aan de bank.”

v. De offerte en de aanbiedingsbrief zijn op 26 maart 2008 door beide partijen ondertekend.

vi. [naam 1] verdiende als tandarts ten tijde van het sluiten van de leningover¬eenkomst een inkomen van € 60.000,- bruto per jaar. [naam 2] genoot op dat moment geen inkomen op grond van een arbeids¬overeenkomst. De Bank is bij het opstellen van de offerte uitgegaan van een begroot bruto jaarinkomen van [naam 2] van € 250.002,-. Op 1 oktober 2008 is [naam 2] een arbeidsover¬eenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan tegen een bruto jaarsalaris van € 300.000,-, te vermeerderen met een gegarandeerde bonus van € 100.000,- in het eerste jaar.

vii. Partijen hebben voorts een “Overeenkomst [naam 4]” gesloten, op grond waarvan Belanghebbenden via de Bank op basis van “execution only” konden beleggen. [naam 2] heeft een effecten¬rekening geopend, waarop hij € 300.000,- heeft gestort. De effectenreke¬ning is verpand aan de Bank. [naam 2] heeft voorts een “Verkla¬ring inzake Optiehandel Euronext” ondertekend. De Bank heeft het doel¬risico¬profiel aanvankelijk op offensief vastgesteld. In juni 2009 is dit profiel gewijzigd in zeer offensief.

viii. Bij brief van 11 mei 2010 heeft de Bank aan Belanghebbenden het volgende geschreven:

In ons prettige gesprek van 9 maart jl. hebben wij u aangegeven dat de risico’s omtrent uw beleggingen te hoog zijn. Doel van deze belegging is immers een deel van de woning-financiering op termijn af te lossen. De huidige situatie, een hypotheek in combi¬natie met speculatieve beleggingen is nooit ons advies geweest.
U gaf hierop aan dat u zich bewust bent van de risico’s van beleggingen mede gezien uw kennis en de aard van uw werkzaamheden. Bovendien gaf u aan dat de verzekering, die verpand is aan onze bank, op 8 december 2013 een kapitaal uitkeert van rond de € 200.000,00. Dit is, onder andere, reden voor u geweest om de rente van uw woning-financiering tot 2013 vast te zetten.
Wij blijven echter van mening dat de risico’s ten aanzien van uw beleggingen te hoog zijn. Om toch aan uw wensen tegemoet te komen hebben wij derhalve het volgende voorstel:
– Uw beleggersrekening en effectenrekening worden, met instandhouding van de reeds aanwezige faciliteiten, losgekoppeld van uw woningfinanciering.
– Conform uw voorstel zal op 8 december 2013 een bedrag van € 200.000,00 worden afgelost. Mocht het uitgekeerde kapitaal van de verpande verzekering bij [naam 3] (…) lager zijn dan € 200.000, dan wordt het ontbrekende gedeelte uit uw eigen middelen aangevuld.
(…)”

ix. Belanghebbenden hebben dit voorstel niet voor akkoord getekend. De beleggers-rekening en effectenrekening zijn niet losgekoppeld van de hypo¬theek en de uitkering uit de levensverzekering is niet gebruikt om de hypothecaire geldlening gedeeltelijk af te lossen.

x. In de zomer van 2011 hebben Belanghebbenden een vakantiereis naar de [naam land 1] gemaakt. Tijdens deze vakantie is op 2 augustus 2011 een margintekort op beleggersrekening van [naam 2] ontstaan. Het dekkingstekort bedroeg op dat moment € 11.004,23.

xi. De Bank heeft aan [naam 2] op donderdag 4 augustus 2011 (om 9.46 uur) het volgende e-mailbericht gestuurd:

“Hierbij informeer ik je dat er gisteren een margin overschrijding is ontstaan. Deze over-schrijding moet uiterlijk 10 augustus zijn opgelost. In verband met je verblijf in de [naam land 1] heb ik dit bericht ook per sms verstuurd.”

xii. Bij e-mail van maandag 8 augustus 2011 (om 9.14 uur PM) heeft de Bank aan
[naam 2] het volgende bericht:

“De marginoverschrijding is inmiddels opgelopen tot 168%. Uit onze gegevens blijkt dat de overschrijding op 2 augustus is komen te ontstaan. Dit betekent dat de overschrijding op
9 augustus voor beurssluiting moet zijn opgelost in plaats van 10 augustus zoals eerder gemeld. Mocht de overschrijding niet op 9 augustus zijn opgelost, zullen wij posities voor je gaan sluiten.”

xiii. Bij e-mail van dinsdag 9 augustus 2011 heeft [naam 2] het volgende aan de Bank geschreven:

“Ik zou graag gebruik willen maken van de Euro 100.000 ruimte die wij nog hebben in de hypotheek overeenkomst om tijdelijk de huidige margeverplichting te dekken. Zoals je weet hebben we een hypotheek offer overeenkomst van Euro 1,5 miljoen, maar alleen Euro 1,4 miljoen gebruikt. Het heeft absoluut geen zin om de posities op de huidige niveaus te sluiten en ik wil dit dan ook niet. Desnoods zet je dit als tijdelijke maatregel in het werk totdat de markten weer wat kalmer zijn en we kunnen overleggen wat een meer duur¬zame oplossing is.
Ik ben nu bij de [naam 5] en moeilijk/niet bereikbaar, al zal ik soms in gebieden zijn waar wel mobiel verkeer mogelijk is.”

xiv. De Bank heeft dezelfde dag hierop als volgt gereageerd:

“Er is inderdaad sprake van een hogere hypothecaire inschrijving echter om hiervan gebruik te kunnen maken dient een financieringsaanvraag opgesteld te worden.
(…)
In een eerder gesprek hebt u aangegeven over vermogen elders te beschikken ik raad u met klem aan deze middelen aan te wenden indien u wilt voorkomen dat wij posities voor u gaan sluiten.”

xv. De Bank heeft op 10 augustus 2011, voor het begin de handelsdag, posities van [naam 2] gesloten. Hierop heeft [naam 2] het volgende aan de Bank geschreven:

“Ik zag net in mijn inbox uitvoeringsberichten van veel transacties in mijn rekening. Hoe kan dit in hemelsnaam terwijl ik net 1 uur geleden een email aan je heb gestuurd dat ik de margin aan wil vullen, hetzij door de ruimte van de hypotheek aan te wenden, hetzij geld over te maken vanuit het buitenland. Ook zou mijn vader (omdat ik nu nog 1 dag in de [naam land 1] zit) per direct aanvullingen kunnen doen namens mij indien er op zeer korte termijn. [naam 6] had duidelijk aangegeven dat de termijn in eerste instantie voor het eind van de handel op 10 augustus zou zijn, dus vandaag aan het eind van de dag. Mijn vader kan gelden met internet banking onmiddellijk overboeken. Heb jij niet gecommuniceerd met het hoofdkantoor? En indien wel, waarom niet met mij terug-gekoppeld over hun visie en voornemens?
Ik heb voor deze transacties geen toestemming gegeven en heb uitdrukkelijk gezegd de posities niet te willen sluiten op deze huidige lage niveaus. Ik wil dat deze transacties onmiddellijk teruggedraaid worden zodat mijn vader – indien nodig – nu de gelden kan aanvullen. Liever had ik persoonlijk overleg gepleegd als ik terug was, zoals ik had aan-gegeven.
Kunt U even bevestigen dat de transacties teruggedraaid worden? En per hoe laat moeten de gelden van mijn vader binnen zijn?”

De Bank heeft geen gehoor gegeven aan deze verzoeken.

xvi. Bij brief van 15 februari 2012 heeft de Bank onder meer het volgende aan Belanghebbenden geschreven:

“Vastgesteld is dat de vermogensopbouw ter (gedeeltelijke) aflossing van uw hypothecaire financiering onvoldoende is. Ook is het minimaal vereiste vermogen ter meerdere zeker-heid van de aan u verstrekte financiering niet voldoende. Ik wil met u van gedachten wisselen een aflossingsschema in de financieringsconstructie op te nemen en samen met u uw financiën te doorlopen teneinde u van een passende advies te voorzien en/of de risico’s die u loopt inzichtelijk te maken. (…)”

3.2 Belanghebbenden hebben in eerste aanleg gevorderd dat de Bank een bedrag van € 984.458,05 zal betalen. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 450.000,- voor de vergoeding van de schade die zij hebben geleden als gevolg van over¬kreditering, een bedrag van € 370.883,10 aan betaalde hypotheekrente, een bedrag van € 300.000,- aan schade-vergoeding wegens onzorgvuldig handelen ter zake van de zekerheidsstelling die Belanghebbenden bij het aangaan van de hypothecaire geldlening hebben verstrekt, en een bedrag van € 136,425,05 ter zake van het verlies dat Belanghebbenden hebben geleden als gevolg van de liquidatie van de effectenportefeuille.

3.3 De Geschillencommissie heeft de vorderingen afgewezen.

4. Beoordeling van het beroep

4.1 De Commissie van Beroep zal allereerst de bezwaren van Belanghebbenden behandelen die betrekking hebben op het oordeel van de Geschillencommissie dat er geen sprake was van overkreditering.

4.2 Belanghebbenden hebben in dit verband het volgende aangevoerd. Het was niet geoorloofd om hen een hypothecaire geldlening van € 1,4 miljoen te verstrekken omdat [naam 2] geen enkele inkomsten had en [naam 1] slechts beschikte over een jaarinkomen van € 60.000,- en in Nederland verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. De Bank is ervan uitgegaan dat [naam 2] gedurende dertig jaar (dat wil zeggen tot zijn 78ste) ten minste
€ 250.000,- per jaar zou verdienen. Dat was niet realistisch, zeker niet omdat [naam 2] gedurende zijn loopbaan (van 1987 tot 2007) gemiddeld slechts € 98.331,- per jaar verdiende en in de vier jaar voorafgaand aan 2008 geen inkomen had.

4.3 De Commissie van Beroep overweegt hierover als volgt. Uit de berekeningen die de Bank heeft gemaakt ten behoeve van het opstellen van de offerte blijkt dat het inkomen van [naam 1] is meegenomen, maar uit de offerte blijkt dat de hypotheek kon worden verstrekt op basis van (uitsluitend) het begrote inkomen van [naam 2]. De Bank heeft dat inkomen geschat op € 250.000,- bruto, kennelijk op basis van mededelingen die [naam 2] over zijn arbeidsverleden had gedaan. Belanghebbenden hebben ten tijde van de sluiten van de overeenkomst niet te kennen gegeven dat een dergelijk inkomen niet realistisch zou zijn, terwijl voor hen duidelijk moet zijn geweest dat het de basis voor de financiering vormde. Belanghebbenden hebben niet onderbouwd waarom de Bank niettemin heeft moeten begrijpen dat zij het toekomstige inkomen van [naam 2] te hoog inschatte. Daar komt bij dat [naam 2] kort na het sluiten van de overeen¬komst van hypothecaire geldlening een bruto jaarsalaris van € 300.000,- is gaan verdienen, zodat moet worden geconstateerd dat de inschatting van de Bank niet te laag is geweest. Anders dan Belanghebbenden stellen, is de Bank bij het opstellen van de offerte niet ervan uitgegaan dat [naam 2] een dergelijk inkomen gedurende een periode van dertig jaar zou blijven verdienen.

4.4 Belanghebbenden hebben ook nog aangevoerd dat de Gedragscode Hypothecaire Financieringen 2008 niet toestaat dat de Bank in de gegeven omstandigheden een hypothecaire geldlening van € 1,4 miljoen verstrekte. De Commissie van Beroep verwerpt deze stelling. De Bank heeft de situatie van Belanghebbende kennelijk aangemerkt als een “bijzonder geval” in de zin van artikel 6 lid 6 van de Gedragscode. Zij heeft Belanghebbenden in de – door Belanghebbenden onder¬tekende – offerte expliciet gewaarschuwd dat de aangeboden financiering hoger was dan standaard op grond van de normen van de Gedragscode verstrekt kan worden, zodat Belanghebbenden ten tijde van het sluiten van de overeen¬komst hiermee bekend waren. Met het ondertekenen van de offerte verklaarden zij tevens te zijn gewezen op de aan overschrijding van die normen verbonden risico’s, en die risico’s te begrijpen en te aanvaarden.

4.5 De Commissie van Beroep verwerpt derhalve de bezwaren van Belanghebbenden tegen het oordeel van de Geschillencommissie dat van over¬kreditering geen sprake was.

4.6 Belanghebbenden hebben voorts bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de Geschillencommissie dat de Bank niet haar zorgplicht heeft geschonden door toe te staan dat Belanghebbenden grote bedragen aan de effectenrekening onttrokken en door toe te staan dat [naam 2] speculatieve optietransacties uit¬voerde.

4.7 Belanghebbenden hebben in beroep aangevoerd dat op de Bank een bijzondere zorgplicht rustte om het bedrag van € 300.000,- dat zij aan extra zekerheid had geëist, gedurende dertig jaar te waarborgen. Dit bedrag was bedoeld als bron van vermogensgroei ter aflossing van de geldlening, aldus Belanghebbenden.

4.8 De Commissie van Beroep overweegt als volgt. Uit de offerte en de daarbij behorende aanbiedingsbrief blijkt dat de Bank Belanghebbenden heeft gevraagd eenmalig een bedrag van € 300.000,- op een beleggersrekening te storten, waar¬bij Belanghebbenden volledig vrij waren in de keuze van de beleggings¬fondsen. Het kapitaal op deze beleggersrekening is verpand aan de Bank (a) zolang het inkomen van [naam 2] ontoereikend zou zijn voor de financiering en (b) daar¬¬na in verband met de zekerheid van de woning. Noch in de offerte, noch in de aanbiedingsbrief is vermeld dat het de bedoeling van Belanghebbenden was met het resultaat van de beleggingen te zijner tijd de hypotheek af te lossen. Belanghebbenden waren juist volledig vrij om het bedrag naar eigen goeddunken te beleggen. De omstandig-heid dat de Bank (intern) een berekening heeft gemaakt waaruit volgt dat geldlening volledig zou kunnen worden afgelost wanneer op de beleggingsrekening gedurende een periode van dertig jaar een rendement van 5% zou worden behaald, betekent niet dat Belanghebbenden er zonder meer van uit mochten gaan dat zij te zijner de lening aldus zouden kunnen aflossen en al helemaal niet dat de Bank daarop zou toezien.

4.9 Uit (bijvoorbeeld) de hiervoor geciteerde brief van 11 mei 2010 van de Bank volgt dat Belanghebbenden de Bank op enig moment na het sluiten van de hypothecaire gelding te kennen hebben gegeven dat zij de lening op enig moment met behulp van het beleggings-resultaat geheel of gedeeltelijk zouden willen af¬lossen. Uit de brieven van de Bank blijkt dat zij Belanghebbenden ervoor heeft gewaarschuwd dat dit doel niet strookte met de speculatieve beleggingen van [naam 2]. De Bank heeft in die brief een concreet voorstel gedaan om tot (gedeeltelijke) aflossing van de geldlening te komen, maar Belang¬hebbenden zijn niet ingegaan op dit voorstel. Ook in 2012 heeft de Bank – zonder succes – getracht met Belanghebbenden te komen tot een aflossingsschema. Hieruit volgt dat de Bank Belanghebbenden gewaar¬schuwd heeft dat zij met de beleggingen die zij bij de Bank hadden ondergebracht vermoedelijk niet in staat zouden zijn hun doelstelling (aflossing) te bereiken. Op de Bank rustte geen verder strekkende zorgplicht.

4.10 Belanghebbenden hebben nog aangevoerd dat de Bank een zeer risicovolle hypotheek¬-constructie heeft aangeboden, zodat het op de weg van de Bank lag in het oog te houden of aflossing van de hypotheek te zijner tijd nog tot de mogelijk¬¬heden zou behoren. Deze klacht faalt. De Bank kon er redelijkerwijs van uitgaan dat een aflossingsvrije hypotheek voor Belanghebbenden geen bijzonder risico¬vol product was. Zij zouden immers te zijner tijd, na de verkoop van de woning, in staat zijn de lening groten¬deels af te lossen. Boven-dien beschikten Belang¬hebbenden – naar zij aan de Bank hebben medegedeeld – gezamenlijk over een relatief grote verdiencapaciteit en een (in verhouding tot de waarde van de woning) groot eigen vermogen. Belanghebbenden stellen in deze procedure welis-waar dat het bedrag van € 300.000,- – welk bedrag [naam 2] op de beleggersrekening bij de Bank heeft gestort – geleend geld betrof, maar de Bank heeft betwist dat zij hiermee bekend was. Belanghebbenden hebben de Commissie van Beroep bovendien geen (volledig) inzicht gegeven in hun financiële situatie zodat ook niet kan worden beoordeeld of het op de weg van de Bank had gelegen meer indringend te adviseren over de aflossing van de geld¬¬lening.

4.11 De conclusie van de Commissie van Beroep is dat de Bank niet haar zorgplicht heeft geschonden door niet toe te zien op de wijze waarop [naam 2] omging met de bij de Bank ondergebrachte beleggingen.

4.12 Tot slot maken Belanghebbenden bezwaar tegen het oordeel van de Geschillencommissie dat de Bank niet haar zorgplicht heeft geschonden door de effecten¬portefeuille reeds op
9 augustus 2011 te liquideren. Belanghebbenden hebben aangevoerd dat zij alles in het werk hebben gesteld om het margintekort tijdig aan te vullen, maar dat zij op het verkeerde been zijn gezet door de e-mail van donderdag 4 augustus 2011 waarin de Bank schreef dat het tekort pas op woensdag 10 augustus 2011 diende te zijn opgeheven.

4.13 De Commissie van Beroep stelt – met de Geschillencommissie – voorop dat een beleggings¬¬onderneming de (wettelijke) plicht heeft erop toe te zien dat cliënten die optie-posities hebben in financiële instrumenten waaruit verplichtingen kunnen voortvloeien, voortdurend over voldoende saldi beschikken om aan die verplichtingen te kunnen voldoen. Indien een tekort ontstaat, is de beleg¬gings¬onder¬neming gehouden dit tekort binnen ten hoogste vijf beursdagen op te heffen, desnoods door optieposities van de des-betreffende cliënt op eigen gezag te sluiten. Dit volgt uit artikel 86 lid 2 Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Een cliënt kan daaraan ontkomen door of het tekort op te heffen of door voldoende zekerheid te stellen waaruit de verplichtingen kunnen worden voldaan.

4.14 Tussen partijen staat inmiddels vast dat er op dinsdag 2 augustus 2011 een margintekort is ontstaan. Uit de wet vloeit voort dat dit tekort uiterlijk op dinsdag 9 augustus 2011 diende te zijn opgeheven. Voor zover Belanghebbenden in hoger beroep nog klagen dat de Bank in de gegeven omstandigheden de termijn had moeten verlengen, faalt de klacht.

4.15 Belanghebbenden klagen (ook) dat de Bank haar zorgplicht niet is nagekomen door
[naam 2] op donderdag 4 augustus 2011 foutief in te lichten dat het tekort (pas) op
10 augustus 2011 aangezuiverd diende te zijn. Pas op maandag 8 augustus 2011 raakte hij ervan op de hoogte dat het tekort reeds de volgende dag moest zijn aangezuiverd.
[naam 2] was van plan geld vrij te maken bij een bank in [naam land 2] ([naam bank 2]), maar dat is niet meer gelukt omdat 9 augustus 2011 in [naam land 2] een nationale feestdag was.

4.16 De Commissie van Beroep overweegt hierover als volgt. Vast staat dat de Bank [naam 2] op 4 augustus 2011 heeft ingelicht over het margintekort, maar dat de mededeling dat dit tekort op 10 augustus moest zijn opgegeven, onjuist was. [naam 2], die reeds een aantal malen met een margintekort was geconfronteerd, wist dat hij ervoor moest zorgen dat het margintekort binnen vijf beursdagen zou zijn opgeheven. Aangezien hij op vakantie was in de [naam land 1] en niet altijd beschikte over een (internet)verbinding met de Bank, kon van hem verwacht worden dat hij voortvarend zou optreden om het tekort aan te zuiveren, te meer daar hij ook nog te maken had met tijdsverschillen tussen de [naam land 1], [naam
land 3] en [naam land 2]. Belanghebbenden hebben aangevoerd dat [naam 2] op vrijdag
5 augustus 2011 bij [naam bank 2] heeft geïnformeerd naar de waarde van zijn beleggingen, dat hij die bank op maandag 8 augustus 2011 de opdracht heeft gegeven de beleggingen te verkopen en dat de opbrengst op woensdag 10 augustus 2011 bij de Bank binnen had kunnen zijn. [naam 2] heeft de opdracht aan [naam bank 2] echter ingetrokken omdat de Bank zijn posities toen al had gesloten.

4.17 Naar het oordeel van de Commissie van Beroep heeft [naam 2] niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat het dus niet (overwegend) aan de onjuiste mededeling van de Bank te wijten is dat het margintekort niet op tijd is opgeheven. Zo is niet duidelijk waarom hij niet reeds op donderdag 4 of vrijdag 5 augustus 2011 aan [naam bank 2] de opdracht heeft gegeven tot verkoop van zijn [naam land 2] beleggingen. De Bank had hem immers al op 4 augustus 2011 aan het begin van de ochtend (Nederlandse tijd) bericht dat er sprake was van een margintekort en [naam 2] wist dat dinsdag 9 augustus 2011 een nationale feestdag was in [naam land 2]. Evenmin is duidelijk waarom [naam 2] op 8 augustus 2011 – nadat de Bank hem aan het begin van de ochtend had gemeld dat het margintekort de volgende dag al moest zijn opgeheven – [naam bank 2] niet direct de opdracht heeft gegeven de Bank tijdig in te lichten dat het geld op
10 augustus 2011 zou zijn overgemaakt. Onduidelijk is ook waarom [naam 2] – toen hij wist dat het geld onmogelijk op tijd in Nederland kon zijn en ook wist dat hij niet op tijd een aanvullende lening van de Bank kon krijgen – zijn vader niet heeft gevraagd tijdelijk bij te springen. Uit een e-mail van 10 augustus 2011 bleek immers dat zijn vader volgens hem onmiddellijk zou kunnen bijstorten. Daar komt nog bij dat Belang¬hebbenden al eerder op de hoogte hadden kunnen zijn zowel van het margintekort als van het tijdstip waarop dit tekort was ontstaan. De Bank heeft in dit verband – onbestreden – aangevoerd dat
[naam 2] ook tijdens zijn vakantie via internet kon inloggen en zijn beleggingsportefeuille kon raadplegen. Het komt voor het risico van [naam 2] dat hij heeft nagelaten zeer regel-matig en nauwgezet de stand van zijn beleggingen te controleren, te meer nu hij zelf ervoor heeft gekozen om voorafgaand aan zijn vakantie speculatieve posities te openen of geopend te laten.

4.18 Belanghebbenden klagen erover dat de Bank heeft verzuimd [naam 1] te beschermen tegen de (mogelijk) negatieve gevolgen van het speculatieve beleggingsbeleid van [naam 2]. Ook dit bezwaar faalt. Het ging om de beleggingsrekening van [naam 2] en Belanghebbenden hebben niet onderbouwd waarom het voor de Bank redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat het bedrag van € 300.000,- (dat in 2008 op deze rekening was gestort) deels aan [naam 1] toebehoorde.

4.19 De conclusie is dat alle bezwaren van Belanghebbenden falen. De Commissie van Beroep zal de beslissing van de Geschillencommissie handhaven.

5. Beslissing

De Commissie van Beroep handhaaft de uitspraak van de Geschillencommissie.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact