Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2017-275

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2017-275
(prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter en mw. mr. P. van Haastrecht-van Kuilenburg, secretaris)

Klacht ontvangen op : 10 januari 2017
Ingediend door : Consument
Tegen : ASR Levensverzekering N.V., gevestigd te Utrecht, verder te noemen
Verzekeraar
Datum uitspraak : 1 mei 2017
Aard uitspraak : Niet-bindend advies

Samenvatting

Consument stelt dat Verzekeraar, bij het afsluiten van de verzekering, heeft nagelaten om Consument te wijzen op het risico van een restschuld. Consument wijst hierbij op de aan hem verstrekte brochure. De Commissie overweegt dat de inhoud en toonzetting van de brochure dienen te worden beoordeeld naar de situatie van destijds. De Commissie stelt vast dat de brochure wervende teksten bevat, doch de teksten niet zodanig van aard zijn dat Consument daaraan afdwingbare afspraken zou kunnen ontlenen. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat aan beleggen risico’s kleven. Consument had dan ook kunnen en moeten weten dat het risico bestond dat het in de brochure genoemde voorbeeldrendement van 10,9 % niet behaald zou worden en de waarde van de verzekering mogelijk niet voldoende zou zijn om de hypothecaire geldlening geheel af te lossen. De Commissie ziet dan ook geen reden om Verzekeraar gehouden te achten de ontstane restschuld voor zijn rekening te nemen.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

• het door Consument ingediende klachtformulier;
• het verweerschrift van Verzekeraar;
• de reactie van Consument op het verweerschrift van Verzekeraar.
• de e-mail van Consument d.d. 26 april 2017.

De Commissie stelt vast dat Consument heeft gekozen voor een niet-bindend advies. De uitspraak is daardoor niet-bindend.
De Commissie stelt vast dat het niet nodig is de zaak mondeling te behandelen. De zaak kan daarom op grond van de stukken worden beslist.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Consument heeft op 1 april 1988, via zijn adviseur, een beleggingsverzekering afgesloten bij Verzekeraar. Partijen zijn hierbij overeengekomen dat Verzekeraar, op de einddatum van de verzekering (1 april 2017), de waarde van 108.434 Waerdye-eenheden zal uitkeren.

Ingeval Consument voor de einddatum van de verzekering overlijdt, zal minimaal fl. 90.000,- worden uitgekeerd. Consument betaalt hiervoor een halfjaarlijkse premie. Voornoemde beleggingsverzekering is verpand aan de bank, waar Consument een hypothecaire geldlening ter grootte van fl. 150.000,- (€ 68.067,03) heeft afgesloten.

2.2 Voorafgaand aan het sluiten van de levensverzekering heeft Consument van Verzekeraar een brochure ontvangen, waarin onder meer het volgende staat vermeld:

‘‘U betaalt geen aflossingen op de hypotheekschuld, maar premies voor het Waerdye-hypotheekplan. U geeft zelf aan hoe deze premies over de vier fondsen van de Robeco Groep moeten worden verdeeld.
(…)
U mag er rustig van uitgaan, dat er na aflossing nog een ruim bedrag voor u overblijft.
(…)
Bij hypotheken gaat het bijna altijd om lange duren. Over lange duren gemeten is het gemiddelde rendement op aandelen van kwaliteit tot op heden altijd hoger geweest dan de gemiddelde hypotheekrente. De Robeco Groep staat garant voor een deskundig portefeuillebeheer. Dat maakt het Waerdye-hypotheekplan nu juist zo’n geslaagde combinatie van een levensverzekering met belegging in gerenommeerde fondsen en een hypotheek.’’

In deze brochure is voorts het volgende voorbeeld opgenomen:

‘‘Een man van 30 jaar koopt een huis, waarvoor een hypothecaire lening nodig is van f 150.000,-. De premie voor het Waerdye-hypotheekplan met een looptijd van 30 jaar bedraagt f. 2.743,- per jaar. De man kiest consequent voor een belegging in het fonds Robeco. Bij een hypotheekrente van 7% en een gemiddelde belastingbesparing van 50% van de rente, komen we tot het volgende resultaat:
’’

2.3 In november 2012 heeft Consument, via zijn adviseur, een afkoopverzoek ingediend bij Verzekeraar.

Bij brief van 5 december 2012 heeft Verzekeraar aangegeven dat de bank, als pandhouder in dezen, geen toestemming geeft voor de afkoop en het voor Consument dan ook niet mogelijk is om de verzekering af te kopen.

2.4 Op 1 april 2017 is de beleggingsverzekering van Consument geëxpireerd en heeft Consument Verzekeraar verzocht de eindwaarde over te maken aan de bank ter (gedeeltelijke) aflossing van zijn hypothecaire geldlening.

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering Consument
3.1 Consument vordert dat Verzekeraar wordt gehouden de ontstane restschuld, door hem begroot op € 10.000,-, voor zijn rekening te nemen.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Consument voert hiertoe de volgende argumenten aan:
• Verzekeraar heeft, bij het afsluiten van de verzekering, nagelaten om Consument te wijzen op het risico van een restschuld. Consument mocht er, op basis van de toonzetting in de brochure die aan hem verstrekt is, dan ook vanuit gaan dat de waarde van de beleggingsverzekering voldoende zou zijn om zijn hypothecaire geldlening af te lossen.
• Indien Consument op de hoogte was geweest van de risico’s van het product, had hij de verzekering nimmer afgesloten.
• Consument heeft er alles aan gedaan om zijn verzekering beter te laten renderen. Consument wilde zijn verzekering zelfs afkopen, doch de bank, als pandhouder, gaf hier geen toestemming voor.

Verweer Verzekeraar
3.3 Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
• In diverse documentatie die voorafgaand aan en na het sluiten van de verzekering aan Consument is verstrekt, zijn telkens (destijds gebruikelijke en realistische) voorbeeldrendementen en -kapitalen genoemd. Daaruit kan worden afgeleid dat het eindresultaat afhankelijk is van beleggingsresultaten en daarmee onzeker. Consument heeft dit risico aanvaard.
• In de brochure die Verzekeraar in 1988 heeft verstrekt staat een berekening met een voorbeeldrendement van 10,9% vermeld. De tekst en het genoemde percentage waren in die tijd gebruikelijk. Bovendien voldeed de tekst in de brochure aan destijds geldende maatschappelijke opvattingen over beleggingsproducten.
• Het beleggingsrisico is een feit van algemene bekendheid, waarvoor niet apart hoeft te worden gewaarschuwd.
• Consument werd destijds bijgestaan door een onafhankelijke en zelfstandige tussenpersoon, wiens verantwoordelijkheid het was om de passendheid van het product te beoordelen. Hoe de adviseur Consument destijds heeft geïnformeerd over de risico’s van beleggingsverzekeringen kan Verzekeraar niet beoordelen.
• Er is sprake van een teleurgestelde verwachting. Deze kwalificeert echter niet als schade.

Bovendien ontbreekt het causale verband tussen de gestelde schade en de vermeende tekortkomingen. Het is immers niet aannemelijk dat Consument andere keuzes zou hebben gemaakt indien Verzekeraar hem anders zou hebben geïnformeerd dan hij heeft gedaan.

4. Beoordeling
4.1 Het geschil spitst zich toe op de vraag in hoeverre Verzekeraar kan worden gehouden de ontstane restschuld voor zijn rekening te nemen.

4.2 Hoewel de Commissie van mening is dat de toonzetting van de brochure uit 1988 niet de voorkeur verdient, dienen inhoud en toonzetting van de brochure te worden beoordeeld naar de situatie van destijds (vergelijk Geschillencommissie Financiële dienstverlening
nr. 2012-320 en nr. 2017-173). De Commissie stelt in dit verband vast dat de brochure weliswaar wervende teksten bevat maar deze teksten niet zodanig van aard zijn dat Consument daaraan jegens Verzekeraar afdwingbare aanspraken zou kunnen ontlenen.

4.3 Hier komt bij dat het een feit van algemene bekendheid is dat aan beleggen risico’s kleven waarbij resultaten uit het verleden en prognoses geen garantie bieden voor de toekomst (zie ook: Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2016-619). Consument had dan ook kunnen en moeten weten dat het risico bestond dat het in de brochure genoemde voorbeeldrendement van 10,9 % niet behaald zou worden en de waarde van de verzekering mogelijk niet voldoende zou zijn om de hypothecaire geldlening geheel af te lossen.

4.4 Voor zover Consument stelt dat, indien hij op de hoogte was geweest van de risico’s, hij de beleggingsverzekering nimmer had afgesloten, merkt de Commissie op dat het, gelet op artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, aan Consument is om het door hem gestelde te bewijzen, dan wel op zijn minst aannemelijk te maken. Desgevraagd heeft Consument echter geen stukken kunnen overleggen die zijn stelling onderbouwen, zodat de Commissie moet concluderen dat Consument hierin niet is geslaagd.

4.5 De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat Verzekeraar in dezen tekort is geschoten. De Commissie ziet dan ook geen reden om Verzekeraar gehouden te achten de ontstane restschuld voor zijn rekening te nemen. De Commissie wijst de vordering van Consument daarom af.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vordering af.

De uitspraak heeft de vorm van een niet-bindend advies. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. U kunt de zaak nog wel aan de rechter voorleggen.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 46 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact