Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2018-378 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2018-378
(
mr. R.J. Paris, voorzitter en mr. A.C. Bek, secretaris)

 

Klacht ontvangen op        : 1 augustus 2017

Ingediend door               : Consument

Tegen                            : Finata Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, verder te noemen de Bank

Datum uitspraak             : 19 juni 2018

Aard uitspraak                : Bindend advies

 

Samenvatting

 

Consument heeft bij de Bank in 2003 een doorlopend krediet afgesloten. Tussen Consument en de Bank is in 2015 onenigheid ontstaan met betrekking tot een betalingsachterstand ten aanzien van het doorlopend krediet, de hoogte van de kredietvergoeding, de zorgplicht van de Bank en de vordering van Consument tot uitbetaling van vermogensschade door de Bank. Partijen zijn een minnelijke regeling tegen finale kwijting overeengekomen. De Commissie oordeelt dat de onderwerpen, waarop de minnelijke regeling ziet, niet voor behandeling van de Commissie in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige onderdelen oordeelt de Commissie dat uit de door de Bank overgelegde stukken blijkt dat in mei 2016 een nieuwe betalingsachterstand is ontstaan. De Bank heeft Consument daarom terecht aangeschreven en heeft conform de Algemene Voorwaarden – nadat Consument is gestopt betalingen te verrichten – de lening opgeëist en de gegevens van Consument geregistreerd bij BKR. Er is niet komen vast te staan dat sprake is van overkreditering. De Commissie oordeelt dat de klacht ongegrond is en wijst de vordering af.

  • Procesverloop

 

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken inclusief bijlagen:

  • het door Consument (digitaal) ingediende klachtformulier;
  • het verweerschrift van de Bank;
  • de repliek van Consument;
  • de dupliek van de Bank.

 

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.

 

De Commissie stelt vast dat het niet nodig is de zaak mondeling te behandelen. De zaak kan daarom op grond van de stukken worden beslist.

 

  • Feiten

 

De Commissie gaat bij de beoordeling van dit geschil uit van de volgende feiten:

 

    1. Op 5 augustus 2003 heeft Consument bij de Bank een Finata Continu Crediet tot een bedrag van maximaal van € 40.000,00 (hierna: het Doorlopend Krediet) afgesloten. In de kredietovereenkomst is, voor zover relevant, bepaald:

 

“Over de opgenomen gelden brengt de Bank aan Kredietnemer een variabele rente in rekening welke thans per maand bedraagt 0,698%, hetgeen gelijk is aan een effectief kredietvergoedingspercentage op jaarbasis van 8,71%. Kredietnemer zal de opgenomen gelden, alsmede de verschuldigde kredietvergoeding aan de Bank terugbetalen in gelijke maandelijkse termijnen van EUR 400,00.

De eerste termijn dient ontvangen te zijn op de laatste dag van de eerst volgende maand na de eerste opname en zo vervolgens.

(…)

Kredietnemer verklaart een exemplaar van deze Algemene Voorwaarden te hebben ontvangen, van de inhoud daarvan te hebben kennisgenomen en hiermee akkoord te gaan. (…)”

 

    1. Op de kredietovereenkomst zijn de Algemene Voorwaarden Kredietverlening Finata Bank N.V. 10/01 Continu Crediet (hierna: de Algemene Voorwaarden) van toepassing. Hierin is, voor zover relevant, bepaald:

 

ARTIKEL 5. Kredietnemer betaalt over de bedragen, die hij op grond van de overeenkomst schuldig zal zijn, een kredietvergoeding, waarvan de hoogte kan varieren, echter met dien verstande, dat de in rekening te brengen vergoeding de volgens de Wet op het Consumentenkrediet toegestane kredietvergoeding nimmer zal overtreffen. Eventuele wijzigingen van het kredietvergoedingspercentage worden aan Kredietnemer meegedeeld door middel van het in artikel 3 genoemde maandoverzicht.

 

ARTIKEL 6. De kredietvergoeding wordt berekend over het van dag tot dag uitstaande saldo en wordt maandelijks ten laste van het Continu Crediet van Kredietnemer geboekt.

 

ARTIKEL 7. Kredietnemer is te allen tijde gerechtigd tot een gedeeltelijk dan wel algehele vervroegde aflossing. Hieraan zijn geen kosten verbonden.

 

ARTIKEL 12. Kredietnemer en de Bank komen voorts nadrukkelijk overeen, dat, indien:

  • Kredietnemer gedurende tenminste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag en na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen;
  • (…)

 

de Bank het op grond van de overeenkomst nog verschuldigde vermeerderd met de Kredietvergoeding, terstond in zijn geheel kan opeisen, (…)

 

ARTIKEL 16. De Bank is aangesloten bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) te Tiel, alwaar alle kredietaanvragen worden getoetst. De toetsing heeft betrekking op bestaande en reeds afgeloste leningen alsmede het aflossingsbedrag. Gegevens van het verleende krediet worden bij het totstandkomen van de overeenkomst geregistreerd bij het BKR. Kredietgever heeft de verplichting op zich genomen een achterstand van meer dan twee maanden te melden (bij het BKR).”

 

    1. Eind 2014 is tussen Consument en de Bank onenigheid ontstaan met betrekking tot een door de Bank geconstateerde betalingsachterstand op het Doorlopend Krediet, de door de Bank geregistreerde BKR-notering, de hoogte van het door de Bank in rekening gebrachte rentetarief, de zorgplicht c.q. informatieplicht van de Bank en de door Consument gevorderde vermogensschade. Begin 2015 is hieromtrent tussen partijen veelvuldig gecorrespondeerd, hetgeen heeft geresulteerd in een voorstel tot een minnelijke regeling door de Bank. Hierin is, voor zover relevant, opgenomen:

 

“Graag verneem ik binnen 14 dagen of u het aanbod van cliënte aanvaardt, waarna dit bedrag in mindering zal worden gebracht op het uitstaande saldo. Uw nieuwe maandtermijn wordt daarmee EUR 345, zijnde 1% van het alsdan uitstaande saldo minus EUR 4.150,-. Bij tijdige acceptatie van het aanbod zal bovendien ook de BKR-notering worden doorgehaald.

Indien het aanbod niet wordt geaccepteerd, zal het aanbod komen te vervallen en kan hierop in rechte géén beroep worden gedaan.”

 

Consument heeft het voorstel op 12 juni 2015 aanvaard.

    1. In mei 2016 heeft de Bank opnieuw een betalingsachterstand geconstateerd en heeft Consument hierop geattendeerd middels schriftelijke aanmaningen. Consument heeft ook deze betalingsachterstand betwist, waarna wederom veelvuldig schriftelijk contact heeft plaatsgevonden tussen partijen. De Bank heeft op 27 oktober 2016 de achterstand als volgt toegelicht:

 

Achterstand

Wij hebben het afgelopen jaar regelmatig een betaling van u ontvangen. Op 4 januari hebt u van ons een email gehad over uw achterstand van EUR 352, 35. Dit bedrag hebt u op 19 januari betaald.

Vanaf eind januari tot nu (termijn oktober 2016) moet u in totaal 10 x EUR 352,35 = EUR 3.523,50 hebben betaald. Wij hebben van u ontvangen, EUR 3.171,15. Er resteert nog 1 termijn achterstand. Dit termijn dient u uiterlijk morgen te voldoen. Hierna bent u bij met betalen.

Voor een overzicht van de ontvangen betalingen verwijzen wij u naar het financieel overzicht, deze vindt u in de bijlage.”

 

      1. Consument heeft de Bank op 27 oktober 2016 bericht dat hij van mening is dat het door de Bank verstrekte overzicht incorrect is. Na diverse e-mails over en weer heeft de Bank op
        4 november 2016 toegelicht en onderbouwd dat zij tussen 6 mei en 27 juni 2016 geen betaling van Consument heeft ontvangen.
      2. Consument heeft in de interne klachtprocedure tevens verzocht om een herbeoordeling van het Doorlopend Krediet. De Bank heeft Consument aangeraden om contact op te nemen met zijn financieel adviseur, die een beoordeling zou kunnen maken van de financiële en persoonlijke situatie van Consument. Consument kan zich niet verenigen met deze handelwijze van de Bank.
      3. De Bank heeft Consument op 14 december 2016, 11 januari 2017 en 2 februari 2017 nogmaals een aanmaning voor het bedrag van € 352,35 gestuurd. Op 24 februari 2017 bedroeg de betalingsachterstand € 870,00. De betalingsachterstanden zijn nogmaals door Consument betwist.
      4. Consument heeft vanaf februari 2017 geen betalingen meer verricht ten behoeve van het Doorlopend Krediet. De Bank heeft het uitstaande saldo op 28 juli 2017 opgeëist en de betalingsachterstand bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) gemeld. Eind 2017 bedroeg de betalingsachterstand € 3.523,50.
  • Vordering, klacht en verweer

 

 

Vordering van Consument

    1. Consument vordert een bedrag van € 35.000,00 zijnde de openstaande vordering van de Bank op hem, alsmede restitutie van de wettelijke rente met terugwerkende kracht naar
      2 februari 2017, schade als gevolg van wanprestatie en vermogensschade. Daarnaast vordert Consument correctie van de ten onrechte geregistreerde of onjuiste BKR-notering.

 

Grondslagen en argumenten daarvoor

    1. Deze vordering steunt, kort weergegeven, op de volgende grondslag. Consument heeft gesteld dat de Bank de op haar rustende zorgplicht jegens hem heeft geschonden en heeft hiertoe de volgende argumenten aangevoerd:
  • de Bank handelt inconsistent en onzorgvuldig jegens Consument en laat geheel na om in te gaan op hetgeen Consument meermaals in schriftelijke correspondentie heeft aangevoerd. De Bank handelt derhalve in strijd met hetgeen betamelijk is in het maatschappelijk verkeer. Consument verwijst hierbij naar de artikelen 6:2 en 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW);
  • de Bank heeft nagelaten precontractuele informatie (de Algemene Voorwaarden) aan Consument te verstrekken, waardoor Consument zich pas gaandeweg bewust werd van het feit dat geen aflossing plaatsvond op het Doorlopend Krediet, doordat hoofdzakelijk rente werd betaald. De Bank heeft derhalve de op haar rustende bijzondere zorgplicht en informatieplicht geschonden;
  • de Bank heeft ten tijde van de verstrekking van het Doorlopend Krediet nagelaten een onderzoek te verrichten naar de financiële mogelijkheden en doelstellingen van Consument. Hierdoor is een situatie van “overkreditering” ontstaan en heeft de Bank de op haar rustende bijzondere zorgplicht geschonden;
  • Consument heeft rechtmatig de betalingen vanaf februari 2017 aangehouden, omdat de Bank onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en een wanprestatie heeft geleverd.

    De Bank is verantwoordelijk voor de gehele achterstand, omdat zij het gebruik van het retentierecht door Consument niet heeft bestreden en de reden om het retentierecht toe te passen niet heeft weggenomen;

  • de Bank heeft ten onrechte de gegevens van Consument geregistreerd bij BKR, daar zij zelf verantwoordelijk is voor de betalingsachterstanden en de opeising van het Doorlopend Krediet;
  • Consument heeft door de wanprestatie en de onrechtmatige daad van de Bank verlies c.q. gederfde winst geleden, hetgeen op grond van artikel 6:96 BW kwalificeert als vermogensschade. De Bank dient een bedrag ter hoogte van de vermogensschade aan Consument te vergoeden.

 

Verweer van de Bank

    1. De Bank heeft, kort weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
  • eind 2014 is tussen Consument en de Bank een geschil ontstaan met betrekking tot een betalingsachterstand op het Doorlopend Krediet. Na diverse correspondentie heeft de Bank Consument op 18 mei 2015 een eerste schikkingsvoorstel gedaan. Na onderhandeling over de inhoud van de minnelijke regeling heeft de Bank Consument op
    9 juni 2015 een aangepast voorstel gedaan, dat door Consument op 12 juni 2015 is aanvaard. Deze minnelijke regeling kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst en heeft ex artikel 7:900 BW een bindend karakter. Het expliciet verlenen van finale kwijting is op grond van artikel 7:901 lid 3 BW geen constitutief vereiste voor het bestaan van deze overeenkomst. De klacht van Consument, met uitzondering van het klachtonderdeel dat ziet op de betalingsachterstand die in mei 2016 is ontstaan, dient derhalve door de Commissie als niet-behandelbaar te worden verklaard;
  • Consument heeft in repliek gesteld dat sprake is van overkreditering. In artikel 13 lid 2 Reglement is bepaald dat de repliek een reactie op het verweerschrift dient te zijn. De uitbreiding van de klacht door Consument is in strijd met de goede procesorde en dit klachtonderdeel dient dan ook niet te worden behandeld door de Commissie;
  • Consument heeft de maandtermijn van mei 2016 niet voldaan, waardoor ten aanzien van het Doorlopend Krediet een betalingsachterstand is ontstaan. Consument heeft de betalingsachterstand betwist en heeft sinds februari 2017 helemaal geen betalingen meer verricht ten behoeve van het Doorlopend Krediet. Eind 2017 bedroeg de achterstand
    € 3.523,50. De Bank was gehouden om de betalingsachterstand te melden aan het BKR. De registratie van de gegevens van Consument bij BKR is dan ook terecht;
  • de Bank betwist gemotiveerd dat sprake is van vermogensschade op grond van de artikelen 6:95 en 6:96 BW;
  • de Algemene Voorwaarden zijn ten tijde van de kredietverstrekking aan Consument ter hand gesteld.

 

 

  • Beoordeling

 

Algemeen

    1. Aan de Commissie ligt de vraag voor of de Bank de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden en dientengevolge gehouden is de door Consument gevorderde schade te vergoeden. De Commissie oordeelt dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord en overweegt hiertoe als volgt.

 

Behandelbaarheid van de klachtonderdelen

    1. Het verst strekkende verweer van de Bank is het beroep op niet-behandelbaarheid van de klachtonderdelen van Consument, die tevens onderwerp van het geschil waren ten aanzien waarvan op 12 juni 2015 een minnelijke regeling tot stand is gekomen. De Bank heeft gesteld dat de minnelijke regeling als een vaststellingsovereenkomst kwalificeert in de zin van artikel 7:900 BW en ten aanzien waarvan het expliciet opnemen van finale kwijting op grond van artikel 7:901 lid 3 BW niet is vereist.

In artikel 7:900 BW is bepaald:

 

Artikel 900

  • Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken.
  • (…)”

 

    1. De Commissie oordeelt dat op 12 juni 2015 een minnelijke regeling tot stand is gekomen ter beëindiging van een geschil met betrekking tot de hoogte van de kredietvergoeding, de zorgplicht en informatieplicht van de Bank met betrekking tot het verstrekken van het Doorlopend Krediet, de vordering tot betaling van vermogensschade die Consument stelde te hebben geleden door de handelwijze van de Bank, de betalingsachterstand die eind 2014 door de Bank is geconstateerd en de door de Bank geregistreerde BKR-notering.
    2. De minnelijke regeling van 12 juni 2015 kwalificeert daarmee als een in artikel 7:900 BW bedoelde vaststellingsovereenkomst. De klachtonderdelen die reeds zijn beëindigd door de totstandkoming van de minnelijke regeling komen derhalve niet voor behandeling van de Commissie in aanmerking, met uitzondering van de klachtonderdelen die zijn ontstaan na de totstandkoming van de minnelijke regeling. De Commissie oordeelt dat slechts de betalingsachterstand sinds mei 2016, de daarmee samenhangende BKR-notering, de door Consument gevorderde vermogensschade en het inschakelen van een tussenpersoon voor behandeling in aanmerking komen. Zij zal deze klachtonderdelen in het navolgende behandelen.
    3. In aanvulling op de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 merkt de Commissie op dat de Bank bij dupliek in de gelegenheid is gesteld om zich te verweren tegen het door Consument bij repliek aangedragen beroep op overkreditering. De Commissie oordeelt dat het beroep op niet-behandelbaarheid van dit klachtonderdeel door de Bank niet slaagt. Niet gebleken is dat de goede procesorde geschaad is; de Bank heeft van de haar geboden gelegenheid gebruik gemaakt. De Commissie zal daarom ook dit klachtonderdeel bij haar beoordeling betrekken.

 

Betalingsachterstand

    1. De Commissie stelt vast dat tussen partijen een rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen, uit hoofde waarvan Consument onder meer verplicht is om maandelijkse betalingen ten behoeve van het Doorlopend Krediet te verrichten.
    2. Ten aanzien van de door Consument betwiste betalingsachterstand oordeelt de Commissie dat op grond van de door de Bank overgelegde stukken is komen vast te staan dat de betaling van mei 2016 niet is verricht. Consument heeft daarmee niet voldaan aan zijn betalingsverplichting. De Bank heeft Consument derhalve terecht aangeschreven met betrekking tot de nog te verrichten betaling.
    3. Dat Consument zich niet kan verenigen met de betalingsachterstand ontslaat hem niet van de verplichting om deze betalingsachterstand in te lopen alsmede de overige maandelijkse verplichtingen ongewijzigd door te betalen.

 

Informatieplicht van de Bank en BKR-notering

    1. De Commissie stelt vast dat in de Algemene Voorwaarden is bepaald dat de Bank verplicht is om een achterstand van meer dan twee maanden te melden bij het BKR. Consument heeft gesteld de Algemene Voorwaarden niet van de Bank te hebben ontvangen, waardoor de Bank haar informatieplicht en zorgplicht heeft geschonden.
    2. In de overeenkomst van Doorlopend Krediet is bepaald dat Consument door ondertekening van de overeenkomst verklaart een kopie van de Algemene Voorwaarden te hebben ontvangen, ervan kennis heeft genomen en instemt met de inhoud ervan. Onder verwijzing naar eerdere uitspraken (zie bijvoorbeeld Kifid GC 2017-495) merkt de Commissie op dat de ondertekende overeenkomst dient te worden beschouwd als een onderhandse akte. Zoals bepaald in artikel 157 lid 2 Wetboek van Rechtsvordering (Rv) levert een onderhandse akte ten aanzien van de verklaring van een partij dwingend bewijs op van de waarheid van deze verklaring. Op grond van artikel 151 lid 2 Rv staat tegen dit dwingend bewijs tegenbewijs open om het dwingende bewijs te ontzenuwen. Naar het oordeel van de Commissie is door Consument geen tegenbewijs geleverd. De enkele verklaring dat hij in de precontractuele fase niet op de hoogte is gesteld van de Algemene Voorwaarden, acht de Commissie onvoldoende.
      Bovendien had het op de weg van Consument gelegen om de overeenkomst niet te ondertekenen of in ieder geval een kopie van de Algemene Voorwaarden op te vragen, indien hij niet bekend was met de Algemene Voorwaarden. Nu Consument de overeenkomst heeft ondertekend, gaat de Commissie uit van de bekendheid van de Algemene Voorwaarden bij Consument en hiermee samenhangend de aard van de overeenkomst, waaronder de wijze van aflossing en het betalen van rente.
    3. De Commissie stelt vast dat de Bank het Doorlopend Krediet in juli 2017 heeft opgeëist en de gegevens van Consument heeft laten registreren bij het BKR. Gezien de hoogte van de betalingsachterstand heeft de Bank gehandeld conform zij verplicht is aan het BKR en conform de Algemene Voorwaarden met Consument is overeengekomen. Dat Consument ervoor heeft gekozen om de achterstand verder te laten oplopen omdat hij het niet eens was met de betalingsachterstand die door de Bank in mei 2016 was geconstateerd, is geen omstandigheid die aan de Bank kan worden toegerekend. De Commissie oordeelt daarom ten aanzien van dit klachtonderdeel dat de Bank de gegevens van Consument terecht heeft geregistreerd bij het BKR en niet is gehouden tot correctie hiervan.

 

Inschakelen van een tussenpersoon en beroep op overkreditering

    1. Consument heeft de Bank verzocht om een herbeoordeling van zijn situatie. De Bank heeft hem bericht dat een dergelijke aanvraag middels een tussenpersoon dient te worden ingediend.
    2. De Commissie stelt vast dat de overeenkomst van Doorlopend Krediet tot stand is gekomen door middel van de tussenkomst van de tussenpersoon van Consument. Het staat de Bank tot op zekere hoogte vrij om haar beleid te bepalen, mits een en ander naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. In het kader van de op de Bank rustende zorgplicht is het van belang dat een gedegen beoordeling wordt gemaakt van de financiële en persoonlijke situatie van een klant. Deze beslissing is, ondanks dat de Commissie begrijpt dat Consument het als zodanig kan ervaren, niet neerbuigend en houdt niet per definitie in dat geen rekening is gehouden met de belangen van Consument. Alhoewel de eindbeslissing met betrekking tot het te verstrekken krediet bij de Bank ligt, kan de aanpassing van een kredietovereenkomst dusdanige gevolgen hebben dat advies van een tussenpersoon vereist is. De Bank toetst slechts op grond van de analyse van de tussenpersoon, of het krediet kan worden aangepast. Het inwinnen van advies bij een tussenpersoon komt de Commissie daarmee niet onredelijk voor, te meer nu de overeenkomst van Doorlopend Krediet ook door middel van een tussenpersoon tot stand is gekomen.
    3. Op grond van de door partijen overgelegde stukken is niet komen vast te staan dat sprake is van overkreditering.
      Consument heeft de maandtermijnen in de periode van 2003 tot 2014 probleemloos voldaan. Eind 2014 is een betalingsachterstand ontstaan, echter is deze door Consument ingelopen. In mei 2015 is wederom een achterstand geconstateerd. Deze enkele maand is echter onvoldoende om overkreditering aan te nemen. Consument heeft erkend dat de achterstand verder is opgelopen, omdat hij de betalingen bewust heeft opgeschort. Er is dus geen sprake van betalingsonmacht, maar onwil. Het beroep van Consument op overkreditering slaagt daarom niet.

 

Door Consument gevorderde vermogensschade

    1. Consument heeft onder meer gesteld dat de Bank de door hem geleden schade moet vergoeden. De Bank heeft de door Consument gevorderde schade gemotiveerd betwist.
    2. De Commissie heeft in het voorgaande geoordeeld dat de betalingsachterstand terecht door de Bank is geconstateerd. Nu Consument de achterstand niet heeft ingelopen en bewust betalingen heeft ingehouden, is het doorlopend Krediet terecht door de Bank opgeëist. Het bedrag van € 35.000,00 ter hoogte van de vordering die de Bank op hem heeft, komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
    3. Consument heeft daarnaast gederfde winst c.q. vermogensschade gevorderd, omdat hij de tijd die hij heeft besteed aan de correspondentie aan de Bank met betrekking tot de klachtonderdelen ook had kunnen besteden aan zijn bedrijf. De Commissie oordeelt ten aanzien hiervan dat het besteden van tijd (al dan niet uitgedrukt in geld) inherent is aan het indienen van een klacht. De gederfde inkomsten van Consument komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

    1. Op grond van de voorgaande overwegingen oordeelt de Commissie dat geen sprake is van schending van de zorgplicht door de Bank. De Commissie oordeelt daarom dat de klacht ongegrond is en de vordering van Consument dient te worden afgewezen.

 

  • Beslissing

 

De Commissie wijst de vordering af.

 

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

 

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact