Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2018-542

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2018-542
(mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter en mr. C.I.S. Dankelman, secretaris)

Klacht ontvangen op        : 8 december 2017

Ingediend door               : Consument

Tegen                           : Coöperatieve Rabobank U.A., gevestigd te Amsterdam, verder te noemen de Bank

Datum uitspraak             : 29 augustus 2018

Aard uitspraak                : Niet-bindend advies

Samenvatting

 

Consument klaagt over de aan hem door de Bank verstrekte geldlening. De Bank heeft zich volgens hem schuldig gemaakt aan overkreditering. De Commissie is van oordeel dat de Bank bevoegd was om de geldlening aan Consument te verstrekken, van overkreditering was geen sprake. De klacht is ongegrond.

 

  • Procesverloop

 

  1. De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken en de daarbij behorende bijlagen:
  • het door Consument (digitaal) ingediende klachtformulier;
  • het verweerschrift van de Bank;
  • de repliek van Consument;
  • de dupliek van de Bank.De Commissie stelt vast dat Consument heeft gekozen voor een niet-bindend advies. De uitspraak is daardoor niet-bindend.
  • De Commissie is van oordeel dat het niet nodig is de zaak mondeling te behandelen. De zaak zal daarom op grond van de stukken worden beslist.
  • Feiten
    1. De Bank heeft Consument bij offerte van 16 februari 2010 een geldlening voor een totaalbedrag van € 195.000,– aangeboden (hierna: ‘de geldlening’).

      De geldlening bestaat uit twee leningdelen, te weten een Rabo OpbouwHypotheek van
      € 150.000,– (hierna: ‘ROH’) op naam van Consument en een aflossingsvrije hypotheek van € 45.000,– op naam van Consument en zijn ouders.

    2. De offerte vermeldt, voor zover relevant, het volgende:

 

  1. De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

 

“(…)

Uw wensen

De financiering is uitsluitend bestemd voor uw nieuwe woning. U draagt € 12.859,– uit eigen middelen bij.

 

Voor de opbouw van het vermogen ter aflossing van de lening wilt u tijdens de eerste periode van de looptijd van de financiering hogere bedragen inleggen dan in de periode daarna.

In totaal wilt u €195.000,– lenen. Hoe dit bedrag is opgebouwd, vindt u onder het kopje “Uw financiering”. Uw gezamenlijk inkomen is niet toereikend om deze financiering te verstrekken. Daarom wordt deze financiering voor het bedrag van €45.000,– verstrekt onder mededebiteurschap van de heer [X] en voor het bedrag van € 45.000,– verstrekt onder mededebiteurschap van mevrouw [Y].

 

(…)

Risico’s bij wegvallen van het inkomen

Uw inkomen kan minder worden als gevolg van arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en pensionering. U heeft voor deze gebeurtenissen een ‘Betaalbaarheidsanalyse Hypotheeklasten’ van ons ontvangen. In deze analyse geven wij u een globaal inzicht van de gevolgen van deze gebeurtenissen voor uw woonlasten. Mede op basis van deze analyse heeft u uw keuze gemaakt voor de producten die wij u aanbieden.

U weet dat als uw inkomen minder wordt of wegvalt, er betalingsproblemen kunnen ontstaan. Dan kunt u, of uw nabestaanden, gedwongen worden uw woning te verkopen. U kunt dan een restschuld overhouden. U heeft aangegeven deze risico’s te begrijpen en te aanvaarden.

 

(…)

Zekerheid

Te vestigen hypotheek ter grootte van €225.000,–

  • Als eerste op appartement en toebehoren gelegen aan de [straatnaam 1] [huisnummer 1] te [plaatsnaam].
  • Als tweede op het perceel grond met overige toebehoren gelegen aan de
    [straatnaam 2] [huisnummer 2] te [plaatsnaam].
     

 

  • (…)

 

 

Overzicht gehanteerde gegevens

 

Uw gegevens

 

[naam Consument]

Geboortedatum                     : [geboortedatum]

 

Dienstbetrekking                   : Geen

Inkomstenbron                      : Zelfstandige

 

Fiscaal arbeidsinkomen          : € 39.900,–

Meetellen inkomen                : 100%

 

De gehanteerde gegevens in dit overzicht zijn in overleg met u tot stand gekomen. Voor eventuele onjuistheden aanvaardt de Rabobank geen aansprakelijkheid.”

 

    1. Consument en de mededebiteuren hebben de offerte op 28 februari 2010 voor akkoord ondertekend.
    2. In april 2016 heeft Consument bij de Bank kenbaar gemaakt dat hij sinds maart 2015 geen opdrachten van zijn onderneming meer had gehad, dat zijn reserves op waren en dat hij betalingsproblemen verwachtte. Partijen hebben op 29 april 2016 met elkaar gesproken over de te verwachten betalingsproblemen en Consument heeft de Bank een verzoek om uitstel van rentebetaling en extra financiering gedaan. De Bank heeft uitgelegd waarom zij geen aanvullende financiering wenste te verstrekken en laten weten dat zij het verzoek om uitstel van de rentebetaling zou neerleggen bij de afdeling Bijzonder Beheer. De afdeling Bijzonder Beheer heeft op 9 mei 2016 met Consument gesproken. Op dat moment was er nog geen achterstand in de betalingen.
    3. Medio 2016 heeft het [naam wijkraad] conservatoir beslag gelegd op de woning en de garage. Op 20 juli 2016 is het conservatoir beslag bij vonnis executoriaal verklaard. De Bank is op 3 oktober 2016 op de hoogte gebracht van het executoriaal verklaarde beslag.
    4. Op verzoek van Consument heeft de Bank op 28 september 2016 een voorstel voor rentemiddeling toegezonden.
    5. Per brief van 12 oktober 2016 heeft de Bank Consument, voor zover relevant, als volgt bericht:

 

 

    1. Per 1 februari 2017 is een betalingsachterstand ontstaan op de geldlening.
    2. Op 13 maart 2017 heeft de Bank Consument een brief en een e-mail met onderwerp ‘Beslag op uw woning en achterstand op uw lening’ toegezonden. In de brief staat onder meer het volgende te lezen:

 

 

    1. Op verzoek van de Bank hebben de ouders van Consument de aflossingsvrije hypotheek afgelost.
    2. Op 25 oktober 2017 heeft de Bank Consument een brief met als onderwerp ‘Herfinancieren of verkoop’ toegezonden. In de brief staat onder meer:

 

      1. Op 1 november 2017 heeft de Bank aan Consument een laatste aanmaning verzonden en op 20 november 2017 een allerlaatste aanmaning voor opzegging.
      2. De Bank heeft de financiering op 12 december 2017 opgezegd.
      3. De woning is onderhands verkocht. Met de opbrengst van de onderhandse verkoop is de geldlening volledig afgelost.
  • Vordering, klacht en verweerVordering Consument
    1. Consument vordert, zoals de Commissie hem begrijpt, zakelijk weergegeven een uitspraak dat de Bank zich bij de verstrekking van de geldlening aan overkreditering heeft schuldig gemaakt en daarmee in strijd met de daarvoor geldende normen heeft gehandeld.Grondslagen en argumenten daarvoor
    2. Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag. Ondanks dat Consument op het moment van de aanvraag van de geldlening nog geen drie jaar ondernemer was en niet voldeed aan de eis om van tenminste drie voorgaande jaren de jaarrekening over te leggen, heeft de Bank de geldlening verstrekt. Daarnaast heeft de Bank gelet op de waarde van de woning een te hoge geldlening verstrekt. Consument heeft hierdoor jarenlang een te hoge maandtermijn voldaan. Van een achterstand in de betalingen is geen sprake geweest 
    3. Verweer van de Bank
    4. De Bank heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:

 

  • de financiering was passend en voldeed aan de wensen van Consument;
  • Consument is nadrukkelijk gewezen op de risico’s van de financiering bij verlies van inkomsten;
  • de Bank heeft als hypotheekhouder het executoriaal beslag overgenomen. De Bank heeft Consument erop gewezen dat hij zelf tot een oplossing moest komen met de beslaglegger;
  • alvorens de financiering werd opgezegd, hebben er geruime tijd geen betalingen gedaan, waardoor een achterstand is ontstaan. Alvorens de betalingsachterstand ontstond, heeft de Bank veelvuldig met Consument gesproken. Na het ontstaan van de betalingsachterstand was het contact moeizaam, zo niet onmogelijk.

 

  • Beoordeling
    1. Naar vaste jurisprudentie dient bij de beoordeling van de klacht gebaseerd op overkreditering als uitgangspunt te gelden dat op financiële dienstverleners tegenover particulieren een bijzondere zorgplicht rust die strekt tot bescherming tegen onverantwoorde financiële risico’s. Deze zorgplicht vloeit voort uit de maatschappelijke positie die deze dienstverleners bekleden in relatie tot hun professionele deskundigheid. De inhoud en reikwijdte van deze zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de betrokken rechtsverhouding, het bijzondere risico van het desbetreffende product of dienst, de eventuele deskundigheid en relevante ervaring van de particuliere cliënt, en diens inkomens- en vermogenspositie. Deze zorgplicht is vastgelegd in artikel 4: 34 Wet op het financieel toezicht.
    2. Op grond van deze algemene regel geldt voor de zaak van Consument dat op de Bank de verplichting rustte om, alvorens tot verstrekking van de geldlening over te gaan, te onderzoeken of Consument de daaraan verbonden financiële lasten kon dragen, zodat overkreditering kon worden voorkomen. Een dergelijk door de Bank te verrichten onderzoek naar de inkomens- en vermogenspositie van Consument is een middel om eventuele overkreditering te kunnen vaststellen (Zie Hoge Raad 16 juni 2017,
      ECLI: NL: HR: 2017: 1107, r.o. 4.4.2). Daarbij komt het aan op de ten tijde van de kredietverlening geldende inzichten over verantwoorde kredietverstrekking.
    3. Consument stelt dat de Bank een te hoge financiering heeft verstrekt. Hij heeft aangevoerd dat de Bank in strijd met de verstrekkingsnormen heeft gehandeld.
    4. De Commissie is van oordeel dat het verwijt van Consument aan de Bank niet opgaat. De Bank heeft gemotiveerd toegelicht waarom de financiering passend was.
      Het is aannemelijk dat de Bank zich bij het bepalen van de leencapaciteit ervan bewust is geweest dat Consument nog geen drie jaar ondernemer was, maar ook dat zij daarbij in aanmerking heeft genomen enerzijds de door Consument in het verleden genoten looninkomsten en anderzijds de toekomstige inkomsten die redelijkerwijs te verwachten waren. Aan de hand van de door Consument aangeleverde stukken is een inkomsten-verklaring opgesteld. Het inkomen was niet toereikend en daarom is de geldlening voor een deel verstrekt waarvoor de ouders van Consument mededebiteur zijn geworden. Ook is rekening gehouden met een aan Consument in eigendom toebehorende garage (WOZ-waarde € 15.000,–, zonder hypotheek) en spaargeld (€ 12.709,–). De Bank heeft Consument in de offerte uitdrukkelijk en in heldere woorden voorgelicht en op de risico’s gewezen. Consument was het daarmee eens. De Bank was bevoegd om deze financiering aan Consument te verstrekken. Van overkreditering was geen sprake. Verder wordt van belang geacht dat de financiële problemen waarmee Consument te kampen heeft gekregen terug te voeren zijn op feiten en omstandigheden, overigens van latere datum, die niet aan de Bank zijn aan te rekenen.
    5. Anders dan Consument kennelijk ook heeft gesteld, had de Bank de bevoegdheid om tot parate executie over te gaan. Van de Bank behoefde niet te worden verwacht, mede gelet op de ernstige terugval van de inkomsten van Consument, dat zij tot verkoop van alleen de garage zou overgaan. Niet is gebleken dat de Bank te traag is opgetreden, laat staan de belangen van Consument daarbij verwijtbaar heeft miskend.
    6. Consument heeft verder gesteld dat de Bank, kijkend naar de waarde van de woning een onnodig hoge geldlening, heeft verstrekt. Ook deze stelling gaat niet op. De Bank heeft de waarde van de woning gebaseerd op een taxatierapport. De Bank mocht afgaan op het door een onafhankelijk en deskundig makelaar overgelegd taxatierapport. Deze is immers deskundig op dat gebied.
    7. De Commissie heeft het door Consument aangehaalde belang van de Nederlandse belastingbetaler niet meegenomen bij de beoordeling. Deze klachtprocedure omvat slechts het juridische geschil tussen Consument en de Bank en reikt niet zover dat het handelen van de Bank in een bredere context beoordeeld moet worden.
    8. De vordering moet dus worden afgewezen. Alle overige stellingen en ingebrachte argumenten kunnen niet tot een ander oordeel leiden en zullen derhalve onbesproken blijven.

 

  • BeslissingDe Commissie wijst de vordering af.

 

  1. U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

  2. De uitspraak heeft de vorm van een niet-bindend advies. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. U kunt de zaak nog wel aan de rechter voorleggen.
Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact