Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2018-589 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2018-589
(prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter, mr. dr. S.O.H. Bakkerus en
mr. S.W.A. Kelterman, leden en mr. P. van Haastrecht-van Kuilenburg, secretaris)

 

Klacht ontvangen op        : 18 juli 2017

Ingediend door               : Consument

Tegen                            : Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V., gevestigd te Rotterdam,

verder te noemen Verzekeraar

Datum uitspraak             : 19 september 2018

Aard uitspraak                : Bindend advies

 

Samenvatting

 

Verzekeraar heeft verzekeringnemer drie herinneringsbrieven gestuurd in verband met het niet betalen van de vervolgpremie. In de laatste herinneringsbrief geeft Verzekeraar Verzekeringnemer een termijn van dertig dagen om alsnog het openstaande premiebedrag te voldoen. Nu de betaling van de vervolgpremie uitbleef, heeft Verzekeraar de levensverzekering premievrij gemaakt. Het geschil spitst zich toe op de vraag in hoeverre Verzekeraar hiertoe gerechtigd was. De Geschillencommissie oordeelt dat de in artikel 7:980 lid 1 BW genoemde termijn van ‘één maand’, niet in alle gevallen gelijk is aan een termijn van dertig dagen. Door het opnemen van een termijn van dertig dagen in zijn herinneringsbrief heeft Verzekeraar dan ook niet aan zijn waarschuwings-plicht ex. artikel 7:980 BW voldaan. Dit brengt mee dat het rechtsgevolg van het niet-betalen van de vervolgpremie niet intreedt en Verzekeraar niet tot het premievrij maken van de verzekering mocht overgaan. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de verzekering premiebetalend is blijven doorlopen tot het moment van overlijden van Verzekeringnemer. Verzekeraar is dan ook gehouden om het initieel verzekerde kapitaal aan Consument uit te keren. Hierop dienen het reeds uitgekeerde kapitaal en de verschuldigde maar nog niet betaalde premies in mindering te worden gebracht. De slotsom is dat de vordering van Consument wordt toegewezen.

 

  • Procesverloop De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken met bijlagen:

 

  • het door Consument digitaal ingediende klachtformulier;
  • het verweerschrift van Verzekeraar;
  • de repliek van Consument;
  • de dupliek van Verzekeraar;
  • de brief van Verzekeraar d.d. 29 mei 2018;
  • de brief van Consument d.d. 11 juni 2018;
  • de brief van Consument d.d. 10 juli 2018.De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies. Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 16 mei 2018 en zijn aldaar verschenen.
  • FeitenDe Commissie gaat uit van de volgende feiten:
    1. Op 3 februari 2000 heeft de zus van Consument, wijlen mevrouw [Naam] (hierna genoemd: Verzekeringnemer), via een adviseur een gemengde levensverzekering afgesloten bij Verzekeraar. Partijen zijn overeengekomen dat Verzekeraar bij in leven zijn van Verzekeringnemer op 3 februari 2028 of bij eerder overlijden, fl. 195.000,- (€ 88.487,14) uitkeert. Verzekeringnemer betaalt hiervoor een premie van € 276,64 per maand. De verzekering is gekoppeld aan een hypothecaire geldlening bij een bank (hierna genoemd: de Bank). Op de overeenkomst tussen Verzekeraar en Verzekeringnemer zijn de Voorwaarden van Verzekering gedeponeerd op 17 april 1989 (hierna genoemd: ‘de Voorwaarden’) van toepassing. Hierin is het volgende bepaald:‘‘Artikel 92 Bestaat recht op afkoop, dan blijft de verzekering van kracht zolang zij waarde heeft, echter niet langer dan gedurende een termijn van 5 maanden na de vervaldag van de eerste onbetaalde premie. (…) 
    2. 3 Na afloop van de termijn van 5 maanden is de verzekering – zo zij nog waarde heeft – van rechtswege omgezet in een premievrije, tenzij de verzekeringnemer binnen deze termijn schriftelijk aan de Maatschappij heeft verzocht de verzekering hetzij per een eerder (doch na dat verzoek gelegen) tijdstip om te zetten in een premievrije dan wel af te kopen hetzij de termijn van 5 maanden te verlengen; dit laatste uiterlijk zolang de waarde dit toelaat.’’
    3. 1 Alle premies moeten op de vervaldag of uiterlijk 30 dagen daarna aan de Maatschappij zijn voldaan. Is zulks niet geschied, dan is de verzekering van rechtswege vervallen, tenzij recht bestaat op afkoop of op een premievrije verzekering.
    4. Op 17 april 2015 heeft Verzekeraar Verzekeringnemer een betalingsherinnering gestuurd. Hierin staat onder meer het volgende:‘‘Betalen openstaande premieWij verzoeken u nogmaals de openstaande premie zo snel mogelijk over te maken op ons rekeningnummer (…).Elke premie moet u binnen 30 dagen na de vervaldag aan ons hebben betaald. Als u de premie niet tijdig betaalt, heeft dat gevolgen voor de dekking van de verzekering. De volgende aanpassingen zijn mogelijk:

    5. Wat betekent dit voor u?
    6. De premie die nog openstaat over de periode van 3 maart 2015 tot 3 mei 2015 is € 251,06.

 

  • Wij passen de verzekering aan zonder dat u premie betaalt. (De verzekerde dekking wordt bijvoorbeeld lager.)
  • Wij stoppen de verzekering en keren de eventuele waarde uit die hierbij vrijkomt. 

 

  • De precieze gevolgen kunt u nalezen in de voorwaarden van uw verzekering.’’
    1. Zowel de adviseur van Verzekeringnemer als de bank (als pandhouder) hebben een kopie van voornoemde brief ontvangen. Omdat betaling van de premie uitbleef, heeft Verzekeraar Verzekeringnemer op 18 mei 2015 opnieuw een betalingsherinnering gezonden. Hierin staat het volgende:‘‘Uw openstaande premie€ 376,59.  Deze verzekering is gesloten voor een doel in de toekomst. Als u uw premie niet (op tijd) betaalt, heeft dat gevolgen voor:
    2. Wat als u uw openstaande premie niet op tijd betaalt?
    3. In onze vorige brief hebben wij u aangegeven wat de gevolgen kunnen zijn voor de dekking van uw verzekering als u uw premie niet (volledig) betaalt.
    4. Het premiebedrag dat nog openstaat over de periode van 3 maart 2015 tot 3 juni 2015 is
  • De hoogte van uw inkomen als u stopt met werken
  • De verzorging van uw nabestaanden
  • Het betalen van toekomstige kosten van overlijden
  • De aflossing van een leningWat moet u doen om dekking te behouden? 

 

  • Maak dan uw volledige openstaande premie van € 376,59 zo snel mogelijk zelf over op ons rekeningnummer (…)’’
  •  
      1. Zowel de adviseur van Verzekeringnemer als de bank hebben een kopie van voornoemde brief ontvangen. Ook na deze tweede aanmaningsbrief is de betaling uitgebleven. Verzekeraar heeft Verzekeringnemer daarop op 1 juli 2015 een laatste betalingsherinnering gestuurd.3 juli 2015 voor uw levensverzekering nog steeds niet (volledig) heeft betaald. Het premiebedrag dat nog openstaat is € 502,12.Misschien bent u op dit moment niet in staat om de premie (volledig) te betalen, maar wilt u de dekking op uw verzekering wel zo veel mogelijk in stand houden. In de bijlage kunt u lezen wat de mogelijkheden zijn. U kunt hierover contact opnemen met uw verzekeringsadviseur.(Tijdelijk) wijzigen van uw verzekering 
      2. Een kopie van deze brief is aan de adviseur van Verzekeringnemer en de bank gestuurd.
      3. Als u uw verzekering wilt wijzigen, vragen wij u vriendelijk dit binnen 30 dagen aan ons door te geven. Reageert u niet binnen 30 dagen en heeft u ook niet binnen deze termijn de premie betaald, dan passen wij de dekking van uw verzekering aan.’’
      4.  
      5. Mogelijkheden voor een betalingsregeling
      6. ‘‘U ontvangt een laatste herinnering omdat u de premie over de periode van 3 maart 2015 tot
      7. Hierin staat het volgende:
      8. Op 3 juli 2015 heeft Verzekeraar een maandtermijn van de rekening van Verzekeringnemer geïncasseerd. Dit bedrag heeft Verzekeraar aangewend voor voldoening van de premie van
        3 maart 2015.
      9. Verzekeraar heeft de automatische incasso per 3 augustus 2015 gestopt. Op
        3 september 2015 heeft Verzekeraar de verzekering premievrij gemaakt. Hij heeft Verzekeringnemer daarvoor op 5 oktober 2015 een polisblad toegestuurd. Het verzekerd kapitaal op de einddatum dan wel bij eerder overlijden is daarin gesteld op € 41.512,-.
      10. Op [datum] is Verzekeringnemer overleden. De woning van Verzekeringnemer is na haar overlijden verkocht. Met de opbrengst van de verkoop en de uitkering uit de levensverzekering van € 41.854,- (verzekerd kapitaal + winstdeling), kon de hypothecaire geldlening in zijn geheel worden afgelost. Van enig pandrecht is in deze dan ook geen sprake meer.
  • Vordering, klacht en verweerVordering Consument
    1. Consument vordert dat Verzekeraar wordt gehouden een uitkering toe te kennen van
      € 43.997,14. Grondslagen en argumenten daarvoor
    2.  
    3. Consument voert hiertoe de volgende argumenten aan:

 

  • Verzekeraar heeft, ondanks de succesvolle incasso op 3 juli 2015, de automatische (premie)incasso per 3 augustus 2015 gestopt.
    Als gevolg hiervan ontstond er een achterstand in de premiebetaling van vijf maanden en kon de verzekering premievrij worden gemaakt. Als Verzekeraar de automatisch incasso had voortgezet, was de achterstand beperkt gebleven tot vier maanden en had de verzekering tot het overlijden van Verzekeringnemer premie-betalend doorgelopen. Na het overlijden van Verzekeringnemer had dan een kapitaal beschikbaar gekomen van € 88.487,14 in plaats van de huidige € 41.854,-.
  • Verzekeraar had contact op moeten nemen met Verzekeringnemer om een oplossing te zoeken voor de betaalachterstand.Verweer Verzekeraar
    1. Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
  • Het is voor Verzekeraar ondoenlijk om te controleren of bepaalde brieven ook daadwerkelijk door de geadresseerde(n) worden gelezen en/of begrepen. Verzekeraar is gehouden om de verzekeringnemer schriftelijk op de hoogte te stellen van de gevolgen van het niet betalen van premie en het premievrij maken van een verzekering. De zorgplicht van Verzekeraar gaat echter niet zover dat hij moet nagaan waarom de premie niet betaald wordt.
  • Het niet betalen van een premie heeft wel gevolgen en daar heeft Verzekeraar Verzekeringnemer tijdig en op de juiste wijze over geïnformeerd.
  • Het is niet zo dat een levensverzekering kan worden voortgezet zolang er sprake is van enkele onbetaalde maandpremies. Dit geldt ook als de laatst betaalde premie wordt aangewend voor de oudste onbetaalde premie. Volgens de verzekeringsvoorwaarden moet elke premie binnen 30 dagen na de vervaldag aan Verzekeraar worden betaald. Als de verzekering voldoende waarde heeft, wordt deze na een termijn van vijf maanden na de vervaldag van de eerste onbetaalde premie omgezet in een premievrije verzekering. De oudste premie was die van 3 april 2015. De premievrijmaking per 3 september 2015 was daarmee geheel in overeenstemming met de toepasselijke voorwaarden.
  • Verzekeraar was niet op de hoogte van de omstandigheden waarin Verzekeringnemer zich (in 2015) bevond. Wanneer een Verzekeringnemer om hem of haar moverende redenen (of gedwongen door omstandigheden) besluit geen premie meer te betalen, komen de gevolgen daarvan voor rekening en risico van die Verzekeringnemer.
  • De in artikel 7:980 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde termijn van ‘één maand’ moet worden uitgelegd als een termijn van dertig dagen. Dit is een redelijke uitleg en sluit aan bij de algemene betalingstermijn van dertig dagen. In dit kader wordt gewezen op de uitspraken GC Kifid 19 mei 2015, 2015-147 en GC Kifid 23 november 2016, 2016-574.
  • Beoordeling
    1. Het geschil spitst zich toe op de vraag in hoeverre Verzekeraar in dezen gerechtigd was de verzekering premievrij voort te zetten. De Commissie overweegt daarover als volgt.
    2. In artikel 7:980 lid 1 BW staat een waarschuwingsplicht voor de verzekeraar: het
      niet-betalen van de vervolgpremie door de verzekeringnemer heeft eerst gevolg, als de verzekeraar na de vervaldag van die vervolgpremie de verzekeringnemer, de begunstigde, indien deze zijn aanwijzing heeft aanvaard, de pandhouder en de beslaglegger door een mededeling op dat gevolg heeft gewezen en betaling binnen een daarbij op ten minste één maand gestelde termijn is uitgebleven. Van artikel 7:980 lid 1 BW kan op grond van artikel 7:986 lid 3 BW niet ten nadele van de verzekeringnemer, de begunstigde, de pandhouder of de beslaglegger worden afgeweken. Dit laatste geldt alleen voor zover de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is en deze de verzekering sluit anders dan in verband met de uitoefening van een beroep of bedrijf.
    3. Artikel 7:980 lid 1 BW moet worden gezien als een preconditie. Dit betekent dat, als de verzekeraar niet heeft voldaan aan de waarschuwingsplicht, hij zich niet kan beroepen op
      de gevolgen van het niet-betalen van de premie. De Commissie zal zich dan ook eerst
      uitlaten over de vraag of Verzekeraar heeft voldaan aan zijn waarschuwingsplicht ex
      artikel 7:980 lid 1 BW.
    4. De Commissie heeft in het dossier drie herinneringsbrieven aangetroffen, waaronder de laatste herinneringsbrief van 1 juli 2015. In deze brief geeft Verzekeraar Verzekeringnemer een termijn van dertig dagen om alsnog het openstaande premiebedrag te voldoen. Verzekeraar geeft daarbij aan dat – indien Verzekeringnemer de premie niet binnen de gestelde termijn voldoet – de dekking van de verzekering zal worden aangepast. Verzekeraar stelt dat de inhoud van de brief van 1 juli 2015 voldoet aan de in artikel 7:980 lid 1 BW gestelde eisen, nu de daarin genoemde termijn van één maand moeten worden uitgelegd als een termijn van dertig dagen.
    5. Anders dan uit GC Kifid 19 mei 2015, 2015-147 en GC Kifid 23 november 2016, 2016-574 zou kunnen worden afgeleid, is de Commissie van oordeel dat de in artikel 7:980 lid 1 BW genoemde termijn van een ‘maand’, niet in alle gevallen gelijk is aan een termijn van dertig dagen. De Commissie zal dit hieronder toelichten.
    6. De wetgever heeft ervoor gekozen om met betrekking tot de waarschuwingsplicht ten aanzien van het niet betalen van de vervolgpremie bij levensverzekeringen niet aan te
      sluiten bij het bepaalde in artikel 7:934 BW, maar een speciale regeling op te nemen in artikel 7:980 BW. Zie Parl. Gesch. titel 7.17 BW, Deventer: Kluwer 2007, p. 277.
      De reden hiervoor is onder meer de bescherming van anderen dan de schuldenaar, de verzekeringnemer, zoals de begunstigde voor zover deze de begunstiging heeft aanvaard en de pandhouder. Zij hebben bij het ongewijzigd voortzetten van de verzekering minstens zoveel belang als de verzekeringnemer zelf, zodat ook zij voor de gevolgen van het
      niet-betalen van de vervolgpremie dienen te worden gewaarschuwd en de gelegenheid moeten hebben om alsnog de achterstallige premie te voldoen. Gelet op deze beschermings-gedachte is het naar het oordeel van de Commissie niet aannemelijk dat de wetgever bij de formulering van onderhavig wetsartikel en de daarin genoemde termijn van één maand
      een termijn van dertig dagen voor ogen had. Zo ook in onderhavig geval, waarin Verzekeringnemer uitgaande van de in de brief van 1 juli 2015 genoemde termijn van
      30 dagen en een aanvang van een termijn van 30 dagen op 1 juli 2015 (de dagtekening van de brief) tot 31 juli 2015 de tijd had om de achterstallige premie te voldoen. Indien Verzekeraar zou zijn uitgegaan van de maandtermijn, had zij tot 1 augustus 2015 om de premies te betalen.
    7. Ook indien aansluiting wordt gezocht bij de maanden van het jaar, kan de stelling van Verzekeraar geen standhouden. Weliswaar telt de maand februari doorgaans 28 dagen, de overige maanden bevatten 30 à 31 dagen, wat leidt tot een gemiddelde van 30,4 dagen. Dit brengt mee dat de wettelijke term ‘’een maand’’ ex art. 7:980 BW dan ook ten minste 30,4 dagen moet bevatten. Het uitgaan van een termijn van dertig dagen kan in dit kader dan ook worden gezien als een afwijking ten nadele van verzekeringnemer, hetgeen op grond van artikel 7:986 lid 3 BW niet is toegestaan.
    8. De Commissie komt derhalve tot het oordeel dat de in artikel 7:980 lid 1 BW genoemde termijn van ‘één maand’, niet in alle gevallen gelijk is aan een termijn van dertig dagen. Verzekeraar heeft door het opnemen van een termijn van dertig dagen in zijn brief van
      1 juli 2015 dan ook niet aan zijn waarschuwingsplicht ex. artikel 7:980 BW voldaan. Het gegeven dat de verzekering uiteindelijk pas op 3 september 2015 premievrij is gemaakt, maakt dit niet anders. Het niet voldoen aan de waarschuwingsplicht brengt immers mee dat het rechtsgevolg van niet-betaling niet intreedt en Verzekeraar in zijn geheel niet tot het premievrij maken van de verzekering mag overgaan. Vgl. GC Kifid 19 december 2017,
      2017-859, onder 4.6. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de verzekering premie-betalend is blijven doorlopen tot het moment van overlijden van Verzekeringnemer.
    9. Nu de omstandigheid dat niet is voldaan aan de waarschuwingsplicht reeds tot de conclusie leidt dat de vordering moet worden toegewezen, behoeft het overige door partijen aangevoerde geen verdere bespreking.
    10. Verzekeraar is dan ook gehouden om het initieel verzekerde kapitaal (ad € 88.487,14) aan Consument uit te keren. Hierop dienen het reeds uitgekeerde kapitaal (ad € 41.854,-) en de verschuldigde maar nog niet betaalde premies (ad € 2.636,-) in mindering te worden gebracht, als gevolg waarvan er een bedrag overblijft van € 43.997,14. De slotsom is dat de vordering van Consument wordt toegewezen.

 

  • BeslissingDe Commissie beslist dat Verzekeraar binnen vier weken na de dag waarop een afschrift van deze beslissing aan partijen is verstuurd, aan Consument vergoedt een bedrag van € 43.997,14.

 

  1. U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

  2. In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.
Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact