Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2018-630 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2018-630
(
mr. R.J. Verschoof, voorzitter, mr. dr. S.O.H. Bakkerus en drs. J.W. Janse en
mr. D.P. van Strien, secretaris)

 

Klacht ontvangen op        : 3 april 2017

Ingediend door               : Consument

Tegen                            : Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V., gevestigd te Rotterdam,

verder te noemen Verzekeraar

: ING Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, verder te noemen de Bank

: Zicht B.V., gevestigd te ‘s-Hertogenbosch, verder te noemen Tussenpersoon

Datum uitspraak             : 8 oktober 2018

Aard uitspraak                : Bindend advies, in de zaak tegen Verzekeraar niet-bindend

 

Samenvatting

 

Als Verzekeraar niet heeft voldaan aan de waarschuwingsplicht van artikel 7:980 lid 1 BW, kan hij zich niet beroepen op de gevolgen van het niet-betalen van de premie. De wet bepaalt dat Verzekeraar de verzekeringnemer met een mededeling wijst op het gevolg van het niet-betalen van de premie en dat hij de verzekeringnemer daarbij een betalingstermijn van ten minste één maand stelt. Een termijn van dertig dagen kan niet worden gelijkgesteld met de vereiste termijn van ten minste één maand. De door Verzekeraar verzonden brieven voldoen evenmin aan het vereiste dat Consument wordt gewezen op het gevolg van het niet voldoen van de vervolgpremie. Verzekeraar mocht de verzekering niet laten vervallen. Verzekeraar is gehouden om het verzekerde kapitaal aan Consument uit te keren. Hierop dienen de verschuldigde maar nog niet betaalde jaarpremies in mindering worden gebracht. Omdat het rechtsgevolg van niet-betaling van de vervolgpremie niet is ingetreden en Verzekeraar alsnog gehouden is verzekerde kapitaal uit te keren, kan als gevolg van het handelen van de Bank en van Tussenpersoon geen schade zijn ingetreden. Het belang ontvalt aan de door deze partijen ingediende klachten, die buiten behandeling blijven.

  1. Procesverloop

 

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken en de daarbij behorende bijlagen:

 

  • het door Consument (digitaal) ingediende klachtformulier;
  • het verweerschrift van Verzekeraar;
  • het verweerschrift van Tussenpersoon;
  • het verweerschrift van de Bank;
  • de reacties van Consument op deze verweerschriften;
  • de dupliek van Verzekeraar;
  • de dupliek van Tussenpersoon;
  • de door Tussenpersoon ter zitting overgelegde brief; en
  • de na zitting door Verzekeraar en Consument ingediende stukken.

 

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.

 

Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 20 juni 2018 alwaar de drie dossiers gevoegd zijn behandeld en partijen zijn verschenen.

 

  1. Feiten

 

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

 

  • Met ingang van 1 november 2007 heeft Consument door tussenkomst van de Bank bij Verzekeraar een overlijdensrisicoverzekering lopen met polisnummer [nr.1] (hierna: de Verzekering). Consument is verzekeringnemer en begunstigde en haar toenmalige partner (hierna: de Partner) was verzekerde. De jaarpremies van € 1.555 werden via automatische incasso voldaan van de bankrekening van de Partner. Het verzekerd bedrag bedroeg bij aanvang van de Verzekering € 450.000 en daalde ieder jaar op 1 november met € 21.429.
  • De Bank heeft eveneens aan de Partner een hypothecaire geldlening verstrekt, voor de aankoop en verbouwing van een woning in [Plaats 1], waar Consument en de Partner samen zouden gaan wonen (hierna: ‘de Lening’). De Lening is op naam van de Partner afgesloten en heeft als ingangsdatum 31 augustus 2007. Ten tijde van het afsluiten van de hypotheek en het aangaan van de Verzekering waren Consument en de Partner niet getrouwd en woonden zij in een huurwoning in [Plaats].
  • Na de verbouwing zijn Consument en de Partner in het voorjaar van 2008 in de woning in [Plaats 1] getrokken. De Bank had toen reeds op eigen initiatief het adres van de Partner ten behoeve van de Lening gewijzigd. Het adres van Consument ten behoeve van de Verzekering is niet gewijzigd.
  • In het najaar van 2012 hebben Consument en de Partner vernomen dat de Partner ernstig ziek was. Op 27 februari 2015 is de Partner overleden.
  • Op 31 december 2012 heeft Verzekeraar de volgende brief aan Consument gestuurd:

“(…) U ontvangt deze herinnering omdat u de premie voor uw levensverzekering nog niet (volledig) hebt betaald. Het premiebedrag dat nog openstaat over de periode van 1 november 2012 tot
1 november 2013 is € 1.555,00.

Elke premie moet u op de vervaldag of uiterlijk 30 dagen daarna aan ons hebben betaald. Als u de premie niet betaalt, heeft dat gevolgen voor de dekking van deze verzekering. De volgende aanpassingen zijn mogelijk:
– Wij zetten de verzekering voort zonder premiebetaling in een gewijzigde vorm. (De verzekerde dekking wordt bijvoorbeeld lager.)
– Wij laten de verzekering vervallen en keren de eventuele waarde die hierbij vrijkomt uit.

Deze gevolgen kunt u nalezen in het voorwaardenboekje dat u bij uw verzekering hebt ontvangen.

Wij vragen u nogmaals vriendelijk de betalingsachterstand over te maken op ons rekeningnummer (…). (…)”

Deze brief is verstuurd naar het adres van Consument in [Plaats] en in kopie naar de rechtsvoorganger van Tussenpersoon verzonden.

  • Op 30 januari 2013 heeft Verzekeraar de volgende brief aan Consument gestuurd:

“(…) U ontvangt deze herinnering omdat u de premie voor uw levensverzekering nog niet (volledig) hebt betaald. Het premiebedrag dat nog openstaat over de periode van 1 november 2012 tot
1 november 2013 is € 1.555,00.

In onze vorige brief hebben wij u laten zien wat de gevolgen kunnen zijn voor de dekking van de verzekering als u de premie niet (volledig) betaalt.

Hebt u ook gedacht aan de mogelijke gevolgen voor uw toekomstige persoonlijke situatie?
U hebt deze verzekering gesloten voor een doel in de toekomst. Als u uw premie niet (op tijd) betaalt, heeft dat gevolgen voor
– de hoogte van uw inkomen als u stopt met werken
– de verzorging van uw nabestaanden
– het betalen van toekomstige kosten van overlijden
– de aflossing van een lening

Praat u hier eens over met uw verzekeringsadviseur. Uw verzekeringsadviseur kent uw persoonlijke situatie en kan u het beste adviseren. Hij kan ook uw eventuele vragen beantwoorden.

Wilt u uw dekking behouden?
Dan vragen wij u dringen de betalingsachterstand over te maken op ons rekeningnummer (…)”

Deze brief is verstuurd naar het adres in [Plaats] en in kopie naar de rechtsvoorganger van Tussenpersoon verzonden.

  • Op 1 maart 2013 heeft Verzekeraar de volgende brief verstuurd:

“(…) U krijgt een laatste herinnering omdat u de premie voor uw levensverzekering nog steeds niet (volledig) hebt betaald.
Het premiebedrag dat nog openstaat over de periode van 1 november 2012 tot 1 november 2013 is € 1.555,00

Misschien bent u op dit moment niet in staat om de premie (volledig) te betalen, maar wilt u de dekking op uw verzekering wel zo veel mogelijk in stand houden. In de bijlage kunt u lezen wat de mogelijkheden zijn. Praat u hier eens over met uw verzekeringsadviseur.

Als u uw verzekering wilt wijzigen, vragen wij u vriendelijk dit binnen 30 dagen aan ons door te geven. Reageert u niet binnen 30 dagen en heb u ook niet binnen deze termijn de premie betaald, dan passen wij de dekking van uw verzekering aan. (…)”

Deze brief is verstuurd naar het adres in [Plaats] en in kopie naar de rechtsvoorganger van Tussenpersoon verzonden.

  • Op 22 april 2013 heeft Verzekeraar de volgende brief verstuurd:

“(…) U hebt uw premie niet betaald en daarom moeten wij uw levensverzekering laten vervallen. De verzekering is vervallen per 1 november 2012 zonder uitkering. (…)”

Deze brief is verstuurd naar het adres in [Plaats] en in kopie naar de rechtsvoorganger van Tussenpersoon verzonden.

  • Op 16 mei 2013 heeft Verzekeraar de volgende brief verstuurd:

“(…) Hierbij ontvangt u een kopie van onze brief d.d. 22 april 2013.


Hebt u nog vragen, dan kunt u contact opnemen met uw verzekeringsadviseur.(…)”

Deze brief is naar het adres van Consument in [Plaats 1] gezonden.

  • Met ingang van 30 juni 2011 heeft de Bank haar assurantieportefeuille overgedragen aan de rechtsvoorganger van Tussenpersoon.
  • Op 14 maart 2013 heeft de rechtsvoorganger van Tussenpersoon de volgende brief verstuurd:

“(…) Naar aanleiding van bijgevoegde brief van [Verzekeraar] inzake uw levensverzekering sturen wij u dit schrijven.

Uw verzekering heeft een betalingsachterstand.

Graag vernemen wij van u of dit een structurele oorzaak heeft. Het niet betalen van deze verzekering kan namelijk vervelende consequenties hebben.

Wij verzoeken u vriendelijk de gehele achterstand te betalen voor de genoemde datum door [Verzekeraar]. Lukt dit niet, neem dan contact met ons op voor een eventuele betalingsregeling.
Dit dienen wij met [Verzekeraar] voor u te regelen. (…)”

Deze brief is verstuurd naar het adres in [Plaats].

 

2.12   Artikel 9.1 van de voorwaarden bepaalt:

“Alle premies moeten op de vervaldag of uiterlijk 30 dagen daarna aan de Maatschappij zijn voldaan. Is zulks niet geschied, dan is de verzekering van rechtswege vervallen, tenzij recht bestaat op afkoop of op een premievrije verzekering.

Artikel 26 van de voorwaarden bepaalt:

“Waar deze voorwaarden aan de Maatschappij het recht geven of de verplichting opleggen om, teneinde enig rechtsgevolg teweeg te brengen, bericht aan een bij de verzekering belanghebbende te zenden, kan zij volstaan met de verzending van een niet-aangetekende brief; zij kan zich daarbij houden aan het laatste door of vanwege die belanghebbende schriftelijk aan haar opgegeven adres. Van de verzending van zulk een brief strekt de aanwezigheid van de kopie ten kantore van de Maatschappij tot volledig bewijs.

 

  1. Vordering, klacht en verweer in de drie procedures

 

Vordering Consument

  • Consument vordert betaling van een bedrag van € 300.006, zijnde de uitkering uit de Verzekering ten tijde van het overlijden van de Partner, indien de Verzekering niet was vervallen.

 

Grondslagen en argumenten daarvoor

  • Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag. Verzekeraar, de Bank en Tussenpersoon hebben de op hen rustende en jegens Consument in acht te nemen zorgplicht geschonden. Consument voert hiertoe de volgende argumenten aan.

 

  • Verzekeraar heeft de brief van 22 april 2013, waarmee hij Consument informeerde over het royement van de Verzekering, terug ontvangen met de melding dat Consument niet meer op het adres in [Plaats] woonde. Verzekeraar heeft vervolgens het juiste adres van Consument achterhaald en de brief naar dit adres gezonden. Consument heeft de brief niet ontvangen, zodat zij niet wist dat de Verzekering geroyeerd was. Verzekeraar heeft geen moeite gedaan om zich ervan te vergewissen dat Consument de brief wel heeft ontvangen, door te bellen of een aangetekende brief te verzenden.

    Verzekeraar had Consument bovendien nogmaals in de gelegenheid moeten stellen de achterstallige premie te voldoen, hij had immers kunnen vermoeden dat de overige brieven ook niet bij Consument waren aangekomen. Verzekeraar heeft slechts één brief verzonden naar het juiste adres en vier brieven naar het onjuiste adres. Indien Consument de brief had ontvangen, dan had zij – gezien de gezondheidstoestand van de Partner – meteen de achterstallige premie voldaan.

  • Uit Hoge Raad 14 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, NJ 2013, 391) volgt dat de afzender (Verzekeraar) moet bewijzen dat de mededeling de geadresseerde (op tijd) heeft bereikt, ook als de mededeling aangetekend is verzonden.
  • De Bank heeft op eigen initiatief het adres van de Partner nog in 2007 gewijzigd. Er was geen reden om er niet van uit te gaan dat het adres voor de Verzekering niet zou worden gewijzigd. De Partner deed de bank- en verzekeringszaken bij één kantoor en had geen aanleiding een onderscheid te maken tussen deze zaken. In 2008 heeft de Bank een tweede hypotheek aan de Partner verstrekt. Volgens de toen geldende Wet Financiële Dienstverlening had de Bank een volledige cliëntinventarisatie moeten maken. De Bank was op de hoogte dat de familie was verhuisd en dat Consument en de Partner samenwoonden. Ook wist de Bank als tussenpersoon dat de Verzekering op het leven van de Partner en op naam van Consument was afgesloten. In het kader van de cliëntinventarisatie zou zijn gebleken dat het adres ten aanzien van de Verzekering nog moest worden gewijzigd.
  • Tussenpersoon heeft geen enkele actie ondernomen jegens Consument, terwijl Tussenpersoon wel de brieven ontving die Verzekeraar over de premieachterstand naar Consument stuurde.
  • De woning in [Plaats 1] ligt in een buitengebied, als gevolg waarvan er vaak problemen zijn met de postbezorging. Het is aannemelijk dat de brief van 16 mei 2013 op een verkeerd adres is bezorgd.
  • Verzekeraar en Tussenpersoon verwijzen ten onrechte naar elkaar. Consument kon zich niet eerder melden bij Tussenpersoon, omdat zij niet op de hoogte was van het royement van de Verzekering. Ook wist zij niet dat de Verzekering niet meer bij de Bank liep.
  • Gezien de hectiek rondom de gezondheidstoestand van de Partner, is het niet opgevallen dat de premie niet van zijn bankrekening was afgeschreven.


Verweer
Verzekeraar

  • Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
  • Verzekeraar heeft meerdere malen geprobeerd de premie van 1 november 2012 te incasseren. Verzekeraar herinnert de premiebetaler schriftelijk aan de onbetaalde premie en de verzekeringsadviseur ontvangt een kopie. De betalingsherinneringen zijn naar het Verzekeraar toen bekende adres verzonden. Verzekeraar had geen adreswijziging ontvangen en heeft niet vernomen dat het adres niet juist was.
    Niet alle verzonden brieven zijn bewaard. Toen de brief van 22 april 2012 onbesteld retour werd ontvangen, heeft Verzekeraar – zonder daartoe verplicht te zijn – via een externe partij een onderzoek verricht om het nieuwe adres te achterhalen. Naar dit adres heeft Verzekeraar op 16 mei 2013 de bevestiging van het verval van de verzekering alsnog verzonden. Ook daarna heeft Verzekeraar niet vernomen dat de verzekering moest worden voortgezet. Het aanmaningsproces was al verlopen en de verzekering was reeds beëindigd. Het was Verzekeraar niet bekend wanneer Consument was verhuisd en Verzekeraar was er niet van op de hoogte dat de eerdere brieven niet door Consument waren ontvangen.
  • Verzekeraar is niet verplicht te controleren of de verzonden brieven ook daadwerkelijk door de geadresseerden worden ontvangen of gelezen. De aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad is niet van toepassing.
  • Verzekeraar beroept zich op artikel 26 van de verzekeringsvoorwaarden, welk artikel conform artikel 7:933 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘het BW’) is opgesteld. De verzekeringnemer moet een adreswijziging doorgeven. Verzekeraar mag ervan uitgaan dat de brief met het nieuwe adres is bezorgd. Consument is verantwoordelijk voor het tijdig voldoen van de premie. De gevolgen van het niet betalen van de premie komen voor haar rekening. Ingevolge artikel 9 van de voorwaarden vervalt in dat geval een overlijdensrisicoverzekering.
  • Verzekeraar heeft Tussenpersoon op de hoogte gebracht van de premie-achterstand. Het ligt op de weg van de Tussenpersoon om contact op te nemen met Consument.
  • Artikel 7:980 lid 1 BW schrijft voor dat op het gevolg van niet-betaling van de vervolgpremie moet worden gewezen. Niet is vereist dat de herinneringsbrief de omvang van de respijtperiode van één maand weergeeft. De vraag is of Verzekeraar de juiste respijtperiode heeft toegepast. Deze vraag wordt pas relevant in de situatie dat alsnog betaald zou zijn op de 31ste dag van de respijtperiode, wat niet het geval is. Een redelijke op de praktijk afgestemde wetsuitleg gaat ervan uit dat met de termijn van één maand in feite een termijn van 30 dagen wordt bedoeld. Dit blijkt zowel uit de literatuur als uit de jurisprudentie. In dit verband wijst Verzekeraar op GC Kifid 19 mei 2015, 2015-147 en GC Kifid 23 november 2016, 2016-574.
  • Met de herinneringsbrieven afzonderlijk en met het geheel van de mededelingen, (i) zijn de gevolgen van niet-betaling van de premie voor Consument duidelijk geweest, (ii) is zij verschillende keren in de gelegenheid gesteld alsnog te betalen en (iii) is het haar verschillende keren duidelijk gemaakt wanneer de dekking van de verzekering zou worden aangepast. De verzekering is pas ruim vijf maanden na het onbetaald blijven van de vervolgpremie vervallen. Hiermee is voldoende rekening gehouden met de belangen van Consument en is voldaan aan 7:980 lid 1 BW.


Verweer Bank

  • De Bank heeft als meest verstrekkende verweer gevoerd dat de Bank de rechten en plichten uit hoofde van haar verzekeringsportefeuille in 2011 heeft overgedragen aan de rechtsvoorganger van Tussenpersoon en dat Consument zich daarom met haar vordering tot de overnemende partij dient te richten.

Verweer Tussenpersoon

  • Tussenpersoon heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
  • Tussenpersoon wist niet dat Consument was verhuisd, zodat Tussenpersoon niet wist dat de betalingsherinneringen niet aan het juiste adres werden gezonden. De verzekering-nemer moet de verzekeraar van de juiste adresgegevens voorzien.
  • Dat Consument de brief van mei 2013 niet heeft ontvangen, moet volgens het ontvangst-beginsel voor rekening en risico van Verzekeraar komen, niet van Tussenpersoon.
  • Uit Rechtbank Utrecht 24 september 2009 (ECLI:NL:RBUTR:2009:BI9916) volgt dat Consument te laat heeft geklaagd. De betaling van de premies is reeds in 2012 gestopt en dit had, gezien de grootte van het premiebedrag, Consument moeten opvallen.
  • Dat de medewerker van de Bank die de adreswijziging voor de hypotheek had doorgevoerd, ook op de hoogte was van het afsluiten van de levensverzekering door Consument, is niet gebleken. Tussenpersoon vermoedt dat dit niet het geval was, nu de hypotheek op naam van de Partner stond en de verzekering op naam van Consument en beide producten niet gekoppeld waren.
  • De rechtsvoorganger van Tussenpersoon heeft wel actie ondernomen. Tussenpersoon wijst op de brief van 14 maart 2013.

 

  1. Beoordeling

In de zaak tegen Verzekeraar

  • Aan de Commissie ligt de vraag voor of Verzekeraar de Verzekering per 1 november 2012 heeft mogen laten vervallen, nadat Consument de jaarpremie over de periode van
    1 november 2012 tot aan 1 november 2013 niet had voldaan.

 

  • Op grond van de toepasselijke voorwaarden vervalt de Verzekering indien de premie op de vervaldag of uiterlijk 30 dagen daarna niet is voldaan. In artikel 7:980 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’) is echter een waarschuwingsplicht opgenomen voor de verzekeraar: het niet-betalen van de vervolgpremie door de verzekeringnemer heeft eerst gevolg, als de verzekeraar na de vervaldag van die vervolgpremie de verzekeringnemer, de begunstigde, indien deze zijn aanwijzing heeft aanvaard, de pandhouder en de beslaglegger door een mededeling op dat gevolg heeft gewezen en betaling binnen een daarbij op ten minste één maand gestelde termijn is uitgebleven.
    Van artikel 7:980 lid 1 BW kan op grond van artikel 7:986 lid 3 BW niet ten nadele van de verzekeringnemer, de begunstigde, de pandhouder of de beslaglegger worden afgeweken. Dit laatste geldt alleen voor zover de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is en deze de verzekering sluit anders dan in verband met de uitoefening van een beroep of bedrijf.

 

  • Artikel 7:980 lid 1 BW moet worden gezien als een preconditie. Dit betekent dat, als de verzekeraar niet heeft voldaan aan de waarschuwingsplicht, hij zich niet kan beroepen op de gevolgen van het niet-betalen van de premie. De Commissie zal zich dan ook eerst uitlaten over de vraag of Verzekeraar heeft voldaan aan zijn waarschuwingsplicht ex artikel 7:980 lid 1 BW. Naar oordeel van de Commissie is dit niet het geval. Het volgende is daartoe redengevend.

 

  • De wet bepaalt dat Verzekeraar de verzekeringnemer met een mededeling wijst op het gevolg van het niet-betalen van de premie en dat hij de verzekeringnemer daarbij een betalingstermijn van ten minste één maand stelt. De termijn waarop de premie alsnog kan worden voldaan, moet derhalve in de herinneringsbrief worden gesteld. De Commissie heeft in het dossier drie herinneringsbrieven aangetroffen, waarin Verzekeraar Consument erop wijst dat de vervolgpremie niet is voldaan en waarmee Verzekeraar Consument in de gelegenheid stelt deze premie alsnog te voldoen. Verzekeraar heeft Consument enkel in de op 1 maart 2013 verzonden brief een termijn gesteld om de vervolgpremie alsnog te voldoen. Verzekeraar verzoekt Consument binnen een termijn van 30 dagen de vervolgpremie te voldoen. Verzekeraar betoogt dat daarmee is voldaan aan artikel 7:980 lid 1 BW, omdat de daarin genoemde termijn van een maand moet worden uitgelegd als een termijn van dertig dagen.
  • Anders dan uit GC Kifid 19 mei 2015, 2015-147 en GC Kifid 23 november 2016, 2016-574 zou kunnen worden afgeleid, kan een termijn van dertig dagen niet worden gelijkgesteld met de vereiste termijn van ten minste één maand. Gelet op de aan artikel 7:980 lid 1 BW ten grondslag liggende beschermingsgedachte is het naar het oordeel van de Commissie niet zo dat de wetgever bij de formulering van onderhavig wetsartikel en de daarin genoemde termijn van één maand een termijn van dertig dagen voor ogen had. (Zie Parl. Gesch. Titel 7.17 BW, Deventer: Kluwer 2007, p. 277.) Die termijn is in lang niet alle gevallen gelijk aan ‘een maand’. In het onderhavig geval is de in de brief van 1 maart 2013 gestelde termijn van binnen 30 dagen te kort. Consument had de tijd tot en met 31 maart 2013, terwijl de termijn van ‘een maand’ haar de tijd zou hebben gegeven tot en met 1 april 2013.De beschermingsgedachte die aan de wetsbepaling ten grondslag ligt, leidt tot een strikte uitleg ervan. De slotsom is dat Verzekeraar de wettelijke termijn niet in acht nam.
  • Ook indien aansluiting wordt gezocht bij de maanden van het jaar, kan de stelling van Verzekeraar dat hij met 30 dagen de juiste termijn hanteerde, geen stand houden.
    De gemiddelde duur van de twaalf maanden van het jaar is 30,4 dagen. Zo uitgelegd, zou de wettelijke term ‘’een maand’’ ex art. 7:980 BW dan ten minste 30,4 dagen moet bevatten. Het uitgaan van een termijn van dertig dagen is dan een afwijking ten nadele van verzekeringnemer, die op grond van artikel 7:986 lid 3 BW niet is toegestaan. Zie GC Kifid 19 september 2018, 2018-589.

 

  • De brief van 1 maart 2013 voldoet evenmin aan het vereiste dat Consument wordt gewezen op het gevolg van het niet voldoen van de vervolgpremie. Verzekeraar schrijft: “(…) en hebt u ook niet binnen deze termijn de premie betaald, dan passen wij de dekking van uw verzekering aan.” Dit is echter niet het gevolg geweest dat daadwerkelijk is ingetreden. Verzekeraar heeft de dekking laten vervallen. Verzekeraar voert aan dat met het geheel van de mededelingen de gevolgen van niet-betaling van de premie voor Consument duidelijk moeten zijn geweest. De wet schrijft echter voor dat het gevolg dat zal intreden en de termijnstelling in dezelfde mededeling worden opgenomen. Verder schetst Verzekeraar met het geheel van de mededelingen een aantal mogelijke gevolgen, waardoor Consument nader onderzoek moet doen, om te achterhalen welke gevolgen voor haar verzekering zouden kunnen intreden. Verzekeraar waarschuwt haar niet voor het gevolg dat daadwerkelijk zal intreden. Dit laatste is wat de wet vereist.

 

  • Omdat Verzekeraar niet aan de waarschuwingsplicht ex artikel 7:980 BW heeft voldaan, kan het rechtsgevolg van niet-betaling niet intreden. Verzekeraar had de verzekering niet mogen laten vervallen. Zie GC Kifid 19 december 2017, 2017-859, onder 4.6. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de verzekering premiebetalend is blijven doorlopen tot het moment van overlijden van Verzekeringnemer.

 

  • Verzekeraar is, gelet op het voorgaande, gehouden om het op 27 februari 2015 verzekerde kapitaal (ad € 300.006) aan Consument uit te keren. Hierop dienen de verschuldigde maar nog niet betaalde jaarpremies die vanaf 1 november 2012 zijn vervallen (ad drie maal € 1.555 = € 4.665) in mindering te worden gebracht, als gevolg waarvan er een bedrag overblijft van € 295.341.

 

  • Onder verwijzing naar artikel 38.6 onder a van het Reglement bepaalt de Commissie dat haar uitspraak, hoewel partijen de bindendheid ervan hebben aanvaard, niet bindend is voor partijen.

In de zaak tegen de Bank

  • Omdat het rechtsgevolg van niet-betaling van de vervolgpremie niet is ingetreden en Verzekeraar alsnog gehouden is het op 27 februari 2015 verzekerde kapitaal uit te keren, kan als gevolg van welk handelen dan ook van de Bank geen schade voor Consument zijn ingetreden.
    Dan ontvalt het belang aan de tegen de Bank ingediende klacht. De Commissie zal deze klacht daarom niet verder behandelen en de vordering afwijzen.

In de zaak tegen Tussenpersoon

  • Omdat het rechtsgevolg van niet-betaling van de vervolgpremie niet is ingetreden en Verzekeraar alsnog gehouden is het op 27 februari 2015 verzekerde kapitaal uit te keren, kan als gevolg van welk handelen dan ook van Tussenpersoon geen schade voor Consument zijn ingetreden. Dan ontvalt het belang aan de tegen Tussenpersoon ingediende klacht. De Commissie zal deze klacht daarom niet verder behandelen en de vordering afwijzen.

 

  1. Beslissing

In de zaak tegen Verzekeraar
De Commissie beslist bij niet-bindend advies dat Verzekeraar binnen vier weken na de dag waarop een afschrift van deze beslissing aan partijen is verstuurd, aan Consument vergoedt een bedrag van € 295.341.

In de zaak tegen de Bank en in de zaak tegen Tussenpersoon
De Commissie wijst bij bindend advies de vordering af.

 

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.

 

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

 

 

 

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact