Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2018-641 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2018-641
(mr. R.J. Paris, voorzitter, mr. drs. R. Knopper en mr. W.H.G.A. Filott, leden
en mr. R.G. de Kruif, secretaris)

 

Klacht ontvangen op        : 18 september 2017

Ingediend door               : Consument

Tegen                           : VDZ Geldzaken B.V., gevestigd te Hengelo, verder te noemen Adviseur

Datum uitspraak             : 23 oktober 2018

Aard uitspraak                : Bindend advies

Samenvatting

 

Zorgplicht adviseur. De Commissie is van oordeel dat de (na)zorgplicht van een adviseur na het afsluiten van een consumptief krediet beperkt is. Het was consument, vanaf het afsluiten van het doorlopende krediet, duidelijk dat de rente variabel zou zijn en periodiek door de bank zou worden vastgesteld. De periodieke wijziging van de rente betrof dan ook geen wezenlijke verandering in de informatie die bij het eerste advies of de bemiddeling is verstrekt. Adviseur werd bovendien niet door de bank geïnformeerd over wijzigingen van de bij consument in rekening gebrachte (variabele) rente. Adviseur is ook niet aansprakelijk voor de door de Bank gehanteerde rentetarieven. Het gegeven dat adviseur doorlopende provisie ontving, betekent niet dat adviseur gehouden was om de hoogte van de (variabele) rente die de bank bij consument in rekening bracht in de gaten te houden. Voldoende is als een adviseur, na het afsluiten van een consumptief krediet, periodiek contact opneemt met de klant om te informeren of het product nog passend is en of wellicht verbeteringen mogelijk zijn. In dit geval is niet in geschil dat er periodiek contact is geweest tussen adviseur en consument. Consument heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij op enig moment gedurende de looptijd, althans in ieder geval niet meer vanaf 2010, het doorlopend krediet bij de bank of elders tegen een gunstiger rentetarief zou hebben kunnen oversluiten, omzetten of in het geheel had willen aflossen. Dat op enig moment sprake is geweest van problemen of betalingsachterstanden is ook niet gesteld of gebleken. De Commissie is daarom van oordeel dat voor de vordering van consument geen (juridische) grondslag aanwezig is en heeft de vordering afgewezen.

 

  • Procesverloop 

 

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

 

  • het door Consument (digitaal) ingediende klachtformulier met bijlagen;
  • het verweerschrift van Adviseur;
  • de reactie (repliek) van Consument op het verweerschrift van Adviseur;
  • de reactie (dupliek) van Adviseur;
  • de reactie (na dupliek) van Consument;
  • de ter zitting overgelegde pleitaantekeningen van Adviseur.

 

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.

 

Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 21 augustus 2018 en zijn aldaar verschenen.

  • Feiten 

 

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

 

    1. Consument heeft, samen met haar echtgenoot (hierna: voor zover van toepassing ook begrepen onder Consument), na advies en door bemiddeling van Adviseur op 19 september 2005 een overeenkomst voor een consumptief krediet afgesloten bij de Voordeelbank B.V., een dochtermaatschappij van Interbank N.V. (hierna genoemd: de Bank).
    2. De overeenkomst betrof een doorlopend krediet met een maximum van € 35.000,00 (hierna: het Krediet). Met het Krediet heeft Consument diverse op dat moment bestaande andere (consumptieve) kredieten en schulden afgelost. Gedurende de looptijd heeft Consument meerdere opnames gedaan en daarbij gebruik gemaakt van de vrije kredietruimte.
    3. In de overeenkomst was onder andere het volgende opgenomen:

“(…)

Cliënt is over het uitstaande saldo van deze overeenkomst kredietvergoeding verschuldigd. De kredietvergoeding zal maandelijks ten laste van het krediet worden geboekt en wordt van dag tot dag berekend over het uitstaand saldo.

Kredietvergoeding thans per maand 0,592%

De effectieve rente op jaarbasis bedraagt   7,3%

(…)

Cliënt zal maandelijks tenminste terugbetalen een bedrag (…) groot EUR 350,00.

(…)”

 

    1. Consument heeft van de Bank periodiek (financiële) overzichten met betrekking tot het Krediet ontvangen.
    2. In de periode tussen 2005 en 2010 heeft Consument meerdere andere kredieten (elders dan bij de Bank) afgesloten. In 2013 heeft Consument een auto gekocht voor € 42.000,- en daarbij een (persoonlijke) lening van € 15.000,- bij Fordfinance afgesloten.
    3. In 2016 is het (resterende deel van het) Krediet omgezet in een persoonlijke lening van € 21.569,- tegen een (vaste) rente van 6,8% op jaarbasis. Daarbij is overeengekomen dat Consument, mede ter aflossing, gedurende 76 maanden een vast bedrag van € 347,88 per maand betaalt. Adviseur heeft vanaf dat moment geen provisie meer ontvangen.

 

  • Vordering, klacht en verweer

 

 

Vordering Consument

    1. Consument vordert een bedrag van € 11.100,- van Adviseur.

 

Grondslagen en argumenten daarvoor

    1. Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag. Adviseur heeft zijn zorgplicht geschonden omdat hij tijdens de looptijd van het Krediet onvoldoende heeft gedaan om het door de Bank in rekening gebrachte kredietvergoedingspercentage (de variabele rente) voor het Krediet naar beneden te krijgen, althans op een redelijk en acceptabel niveau te houden. Consument stelt dat zij daardoor jarenlang onnodig te veel rente heeft betaald. Consument voert de volgende argumenten aan:
  • Het is op zich juist dat de Bank de (variabele) rente voor het Krediet bepaalt, maar als Adviseur ziet dat de in rekening gebrachte rente onredelijk (sterk) stijgt of niet (voldoende) mee daalt met de ‘algemene’ marktrente, is het aan Adviseur om namens Consument te gaan onderhandelen met de Bank om het rentepercentage omlaag te krijgen.
  • Consument acht het niet redelijk en billijk dat de te betalen (variabele) rente voor het Krediet niet of slechts zeer beperkt heeft meebewogen met de ‘algemene’ marktrente. Bij een variabele rente moet de rente die de Bank in rekening brengt niet alleen omhoog gaan, maar ook dalen als de rente-ontwikkeling daartoe aanleiding geeft. Adviseur heeft een verantwoordelijkheid om hierbij de belangen van zijn klanten, waaronder Consument, te behartigen. Adviseur kende de rentetarieven van de Bank en kon zien dat de rente die de Bank aanbood bij nieuwe leningen gestaag – zeker vanaf 2009 – lager werd, terwijl dat voor het Krediet van Consument niet gebeurde.
  • Consument ontkent niet dat door de jaren heen een aantal keren contact is geweest met Adviseur, maar daarbij heeft zij altijd te horen gekregen dat het niet mogelijk was om tot verbetering van het Krediet te komen.
  • In 2016 is de Bank tot een verbetering gekomen door het Krediet om te zetten naar een persoonlijke lening. Adviseur heeft voor deze omzetting niets gedaan, terwijl Adviseur wel doorlopende provisie heeft ontvangen.
  • Adviseur heeft niets, althans onvoldoende, gedaan om te voorkomen dat Consument een (te) hoge rente heeft moeten betalen. Adviseur is daarom tekortgeschoten in zijn zorgplicht en gehouden Consument voor haar schade te compenseren. Consument heeft haar schade begroot op € 11.100,-.
  • Bij de berekening van de schade is Consument uitgegaan van het verschil tussen de rente bij aanvang van het contract en de hoogte van de (1-maands) Euribor op dat moment. Dat verschil heeft Consument als ‘vaste acceptabele opslag’ (4,89%) beschouwd omdat Consument op basis daarvan het contract is aangegaan. Vervolgens heeft Consument per kwartaal berekend in hoeverre de daadwerkelijk door de Bank in rekening gebrachte rente is afgeweken van het geldende (1-maands) Euribor-tarief plus de ‘vaste acceptabele opslag’. Dat verschil heeft zij met 2% opgerent.

 

Verweer van Adviseur

    1. Adviseur heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
  • Uit de vaststellingsovereenkomst die Consument met de Bank is aangaan – waarbij het Krediet is omgezet naar een persoonlijke lening – volgt dat Consument afziet van een (compensatie)claim tegenover de Bank voor vermeende te hoge in rekening gebrachte rente in het verleden. Het is onterecht dat Consument, nu zij de Bank niet meer kan aanspreken, de Adviseur daarvoor aansprakelijk stelt.
  • Adviseur stelt dat de omvang van de zorgplicht die op een tussenpersoon rust onder meer afhankelijk is van de aard van de relatie. In het kader van een kredietrelatie geldt niet de bijzondere zorgplicht zoals die eerder is aangenomen door de Hoge Raad in het kader van beleggingsadviesrelaties met banken. Adviseur verwijst hierbij naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waar dit met zoveel woorden is overwogen (GHARL:2014:6792).
  • Het zwaartepunt van de zorgplicht ligt bij de totstandkoming van het Krediet. Consument heeft niet gesteld dat Adviseur bij de totstandkoming van het Krediet haar zorgplicht heeft geschonden. Adviseur heeft gehandeld zoals dat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in de gegeven omstandigheden verwacht mocht worden. De zorgplicht houdt niet in dat een tussenpersoon ook actief moet onderhandelen met de Bank om een eerder afgesproken (variabele) rente naar beneden bij te stellen.
  • Bij de totstandkoming van het Krediet is zorgvuldig gehandeld. Adviseur heeft onderzoek gedaan naar de financiële situatie van Consument en naar de passendheid van het product. Met de herfinanciering vanuit het Krediet van op dat moment bestaande kredieten en schulden is in 2005 een (substantiële) renteverlaging gerealiseerd.
  • Na het afsluiten van het Krediet heeft Adviseur tientallen malen contact gehad met Consument (minimaal eens per twee jaar), waarbij ook pogingen zijn gedaan om het Krediet te herfinancieren. Een poging in 2010 om het Krediet te herfinancieren is toen niet gelukt.Onder andere vanwege het feit dat Consument – zonder bemiddeling en medeweten van Adviseur – in de periode tussen 2005 en 2010 meerdere (substantiële) kredieten elders had afgesloten. Consument heeft bovendien meerdere malen medegedeeld dat zij tevreden was en Adviseur geen actie hoefde te ondernemen.
  • Consument heeft in 2013 een auto gekocht welke zij deels gefinancierd heeft met een lening. In plaats van aflossing van het Krediet met een rente die zij kennelijk te hoog vond, heeft Consument ervoor gekozen om haar geld te besteden aan (extra) consumptieve uitgaven.
  • Uit het feit dat Consument in de loop der jaren meerdere keren gebruik heeft gemaakt van de vrije kredietruimte, volgt dat Consument telkens opnieuw bereid was geld te lenen tegen de op dat moment geldende rente.
  • Consument is uitdrukkelijk akkoord gegaan met de voorwaarden van het Krediet waaronder de variabele rente. Adviseur betwist dat die rente te hoog zou zijn geweest. Consument kon daarnaast te allen tijde het Krediet beëindigen door deze boetevrij af te lossen.
  • De door de Bank gehanteerde variabele rente bestaat uit meerdere componenten, zoals fundingkosten, vaste kostenopslag, risico-opslag, provisiepercentage en winstmarge. Wijzigingen van de rente zijn met name het gevolg van een verandering van fundingkosten en risico-opslag. De Bank mag een rentetarief aanbieden op basis van ‘risk-based-pricing’, zoals de Bank ook in de zaak van Consument heeft gedaan. Adviseur verwijst hierbij naar de uitspraken CvB 2017-008, GC 2017-687 en GC 2018-010 van het Kifid. Het door de Bank gehanteerde rentepercentage is altijd (ruim) onder het hoogste toegelaten kredietvergoedingspercentage gebleven zoals dat van tijd tot tijd wordt vastgesteld op basis van artikel 7:76 leden 2 en 3 Burgerlijk Wetboek (BW).

 

  • Beoordeling

 

 

De rechtsverhouding

 

    1. De rechtsverhouding tussen Consument en Adviseur kwalificeert zich als een overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 BW). In het licht hiervan rustte op Adviseur bij de uitvoering van deze opdracht ten behoeve van Consument een zorgplicht, de zorg van een goed opdrachtnemer (artikel 7:401 BW). De inhoud van deze zorgplicht is in de rechtspraak ingevuld. Daaruit blijkt dat een adviseur tegenover zijn opdrachtgever de zorg moet betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Zie onder andere Hoge Raad 10 januari 2003, NJ 2003, 375, overweging 3.4.1.

 

    1. Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur mag worden verwacht dat hij beschikt over de nodige deskundigheid en vakkennis, dat hij de financiële belangen van zijn cliënten naar beste weten en kunnen behartigt en dat hij zorgvuldigheid betracht in de advisering van zijn cliënten. Voorts is een adviseur gehouden een bepaalde vorm van doorlopende nazorg te verlenen, bestaande uit het informeren over wezenlijke wijzigingen in de informatie die bij het eerste advies of de bemiddeling is verstrekt (zie artikel 4:20 lid 3 Wft). Dit geldt niet als Adviseur met de aanbieder van het product is overeengekomen dat de aanbieder deze verplichting op zich neemt (artikel 4:21 Wft). De omvang van de zorgplicht is daarnaast afhankelijk van wat partijen daarover zijn overeengekomen en van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van het product en de omvang van de provisie die wordt ontvangen. Zie ook GC 2018-339.

 

De klacht

 

    1. De aan de Commissie voorgelegde klacht betreft de vraag of Adviseur aan zijn nazorgverplichting heeft voldaan. Consument klaagt over het handelen, dan wel nalaten, van Adviseur gedurende de looptijd van het Krediet. In het bijzonder gaat het om de vraag of van Adviseur mocht worden verwacht dat hij gedurende de looptijd van het Krediet, als gevolg van een (te) hoge variabele rente, zelfstandig met de Bank dan wel in samenspraak met Consument diende te onderzoeken of de hoogte van de (variabele) rente of het Krediet zelf kon worden aangepast in het voordeel van Consument.
      Over de (precontractuele) zorgplicht van Adviseur voorafgaand en bij de totstand-koming van het Krediet heeft Consument niet geklaagd. De Commissie stelt derhalve vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in 2005 een passend product is geadviseerd.

 

Zorgplicht gedurende de looptijd van de overeenkomst

 

    1. Consument stelt dat Adviseur (doorlopende) provisie heeft ontvangen en dat zij er daarom van mocht uitgaan dat Adviseur in de gaten zou houden of de rente die de Bank berekende niet te hoog zou worden dan wel tijdig zou ingrijpen als dat wel gebeurde. Adviseur stelt daartegenover dat hij niet gehouden was om tijdens de looptijd actief met de Bank te onderhandelen om een (eerder afgesproken variabele) rente naar beneden te laten bijstellen. Volgens Adviseur is de omvang van de zorgplicht onder meer afhankelijk van de aard van de relatie en ligt het zwaartepunt bij een consumptief kredietrelatie bij de totstandkoming van het krediet en is verder geen sprake van een bijzondere zorgplicht.

 

    1. Het was in 2005 gebruikelijk dat een adviseur of bemiddelaar voor het afsluiten van een (consumptief) krediet provisie van de bank ontving. Door middel van de (doorlopende) provisie wordt de beloning van Adviseur gedurende de looptijd van het Krediet betaald. Bij de introductie van het provisieverbod voor financiële producten per 1 januari 2013 is voor het consumptief krediet een uitzondering gemaakt, waardoor het zelfs niet meer is toegestaan om een consumptief krediet provisieloos af te sluiten (zie artikel 4:74 Wft en afdeling 11.1 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bfgo)). Dit provisiegebod heeft als doel dat een adviseur tijdens de looptijd betrokken blijft zodat consumenten, indien zij gaandeweg bekneld raken, bijvoorbeeld door betalings-achterstanden, de adviseur voor bijstand kunnen benaderen zonder dat daar extra kosten aan verbonden zijn. Dat volgt ook uit de stukken waar Consument naar heeft verwezen, te weten de in 2016 door de minister van Financiën gegeven antwoorden op Kamervragen met betrekking tot consumptieve kredieten (Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, Aanhangsel nr. 385) en pagina 45 van het jaarverslag 2016 van de AFM waar onder andere het volgende staat: “Het weren van het verplicht provisieloze krediet zorgt ervoor dat de consument altijd de gelegenheid heeft om nazorg in te kopen.”.

 

    1. Een consumptief krediet is naar zijn aard niet een complex product zoals omschreven in artikel 1 BGfo. De zorgplicht voor een adviseur of bemiddelaar van (consumptief) krediet gaat daarom minder ver dan bij bijvoorbeeld de zorgplicht van een assurantie-tussenpersoon die adviseert of bemiddelt bij ingewikkelde financiële producten zoals de meeste levensverzekeringen, omdat de werking of prijsstelling van een ingewikkeld financieel product veelal moeilijker te begrijpen is voor een consument. Zie GC 2018-339, GC 2015-248.

 

    1. Het was Consument vanaf het afsluiten van het Krediet duidelijk dat de rente voor het Krediet variabel zou zijn en dat deze door de Bank periodiek zou worden vastgesteld. De periodieke wijziging van de rente betrof dan ook geen wezenlijke verandering in de informatie die bij het eerste advies of de bemiddeling is verstrekt. Consument heeft periodiek (financiële) overzichten ontvangen waarop het gehanteerde rentepercentage was opgenomen. Hoewel Consument elke maand hetzelfde ‘vaste’ bedrag betaalde, wist Consument, althans behoorde zij te weten, dat de rente variabel was en dat dus het deel bestemd voor rente en het deel bestemd voor aflossing (periodiek) zou variëren.

 

    1. Adviseur was niet op de hoogte van het bij Consument in rekening gebrachte variabele rentetarief omdat hij daarover niet door de Bank werd geïnformeerd. Voor informatie over het in rekening gebrachte rentetarief was Adviseur afhankelijk van mededelingen of informatie van Consument daarover. Voor zover Consument stelt dat de Bank (naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid) een te hoge rente heeft berekend, is de Commissie van oordeel dat Adviseur niet voor de door de Bank gehanteerde rente-tarieven aansprakelijk kan worden gehouden. Dat betreft een geschil tussen de Bank en Consument (welk geschil, zo blijkt uit het onderhavige dossier, door een vaststellings-overeenkomst met de Bank is beëindigd).
      De Commissie merkt hierbij op dat het de Bank is toegestaan een rentetarief te hanteren op basis van ‘risk based pricing’. Zie eerdere uitspraken daarover onder andere: CvB 2017-008 en GC 2018-010. Met als gevolg dat, uitgaande van het door Consument gestelde dat het rentetarief voor haar Krediet steeg terwijl de Bank voor nieuwe leningen steeds lagere tarieven hanteerde, daar niet zonder meer de conclusie uit kan worden getrokken dat de Bank het rentetarief voor Consument bewust hoog heeft gehouden. De hoogte van het rentetarief werd mede bepaald door de risicoklasse waarin Consument was geplaatst. Het was aan Consument – die op de hoogte was van het in haar geval gehanteerde rentetarief – om met Adviseur contact op te nemen zodra zij dacht dat verbetering of wijziging van het Krediet mogelijk of wenselijk was.

 

    1. Naar het oordeel van de Commissie is een adviseur of bemiddelaar in krediet gehouden om periodiek aandacht te besteden aan de (krediet)overeenkomsten van de cliënten in zijn portefeuille. Deze nazorgverplichting is bij een consumptief krediet beperkt van omvang, onder andere gelet op het gegeven dat een adviseur of bemiddelaar – zoals ook in dit geval – na het afsluiten van een krediet niet per consument door de Bank wordt geïnformeerd over opvolgende rentewijzigingen. Een adviseur of bemiddelaar is daarom niet gehouden om in de gaten te houden of de (variabele) rente die de Bank voor een (doorlopend) krediet in rekening brengt te hoog wordt of dat hij bij elke rentewijziging, althans op enig moment, zelfstandig met de Bank zou moeten gaan onderhandelen over de hoogte van de rente. Dat daar (contractueel) afspraken over zijn gemaakt tussen Adviseur en Consument, is ook niet gesteld of gebleken. De Commissie acht het gezien de beperkte nazorgverplichting voldoende adequaat als een adviseur of bemiddelaar (die doorlopende provisie ontvangt) periodiek met zijn cliënten contact opneemt om te informeren of het product nog passend is en of wellicht verbeteringen mogelijk zijn. Wat daarvoor een redelijke termijn is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Alleen door contact met de klant kan een adviseur vaststellen of het product nog passend is bij de situatie en de wensen van de klant. Daarvoor is het wel nodig dat de klant hem van de relevante informatie voorziet en zijn of haar wensen kenbaar maakt.

 

    1. In dit geval is niet in geschil dat er periodiek contact is geweest tussen Adviseur en Consument. In 2010 is geprobeerd het Krediet elders af te sluiten, maar een aanvraag daarvoor heeft tot een afwijzing geleid vanwege de totale hoogte van de op dat moment lopende kredieten van Consument (ook wel ‘maximaal belast’ of ‘locked-up’ genoemd). Consument heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij op enig moment gedurende de looptijd, althans in ieder geval niet meer vanaf 2010, het Krediet bij de Bank of elders tegen een gunstiger rentetarief zou hebben kunnen oversluiten, omzetten of in het geheel had willen aflossen. Consument had de vrijheid om op elk moment op het Krediet (extra) te gaan aflossen, maar heeft daar – tot aan 2016 – kennelijk niet voor gekozen.
      Consument heeft daarentegen in de loop der jaren meerdere opnames gedaan en gebruik gemaakt van de vrije kredietruimte. Dat op enig moment sprake is geweest van problemen of betalingsachterstanden is ook niet gesteld of gebleken.

 

    1. Ook uit het feit dat de Bank – al dan niet onder de druk van mediabelangstelling of vanwege de klacht van Consument – in 2016 het Krediet heeft omgezet naar een persoonlijk lening tegen een lagere (vaste) rente, kan niet worden afgeleid dat Adviseur (in de periode daarvoor) is tekortgeschoten in zijn zorgplicht. Voor zover Consument stelt dat de omzetting eerder gerealiseerd had kunnen worden als Adviseur eerder had ingegrepen is daarvan geen bewijs voorhanden, althans is dat in het onderhavige geval niet aannemelijk geworden.

 

Conclusie

 

    1. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet gebleken is dat Adviseur is tekortgeschoten in de op hem rustende zorgplicht. Voor de vordering van Consument is geen (juridische) grondslag en de vordering dient daarom te worden afgewezen.

 

  • Ten slotte bepaalt de Commissie, onder verwijzing naar artikel 5.2 van het Reglement van de Commissie van Beroep, dat het belang van het onderhavige geschil rechtvaardigt dat zowel voor Consument als Adviseur beroep openstaat tegen de hierna verwoorde beslissing. De Commissie heeft immers niet eerder uitspraak gedaan over de zorgplicht van een tussenpersoon na het afsluiten van een doorlopend krediet met een variabele rente en het kan voor de afdoening van soortgelijke zaken van belang zijn de visie van de Commissie van Beroep te vernemen.
  • Beslissing

 

 

De Commissie wijst de vordering af.

 

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld. U kunt de zaak ook aan de rechter voorleggen.

 

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

 

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact