Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2019-006 (bindend)

Uitspraak Commissie van Beroep 2019-006 d.d. 24 januari 2019
(mr. C.A. Joustra, voorzitter, mr. A. Bus, prof. mr. D. Busch, J.C.H. Kars AAG CERA en
mr. A. Smeeing-van Hees, leden, en mr. H.C. Dobbelaar-ten Cate, secretaris)

Samenvatting

Zorgplicht bank, overkreditering, verantwoorde kredietverstrekking.
Consument en diens toenmalige partner waren eigenaar van een vakantiewoning op een recreatiepark. De grond waarop de vakantiewoning stond werd door hen gepacht.

Het recreatiepark heeft Consument en diens toenmalige partner de mogelijkheid gegeven de grond in eigendom te verkrijgen.

De Bank heeft aan Consument en diens toenmalige partner een (annuïtaire) hypothecaire geldlening verstrekt van € 70.000,- met een looptijd van 20 jaar voor de financiering van de grond en voor de verbouwing van de vakantiewoning.

Consument verwijt de Bank – om verschillende redenen – dat sprake was van overkreditering en vordert betaling van de daardoor door hem geleden schade. De Bank bestrijdt de vordering en stelt dat de geldlening is verstrekt conform de destijds (in 2008) geldende wet- en regelgeving.

De Geschillencommissie stelt voorop dat de Bank op grond van de toen reeds geldende zorgplicht diende te waken voor overkreditering. Na bespreking van de door Consument opgeworpen argumenten voor die overkreditering komt de Geschillencommissie tot de conclusie dat van overkreditering geen sprake is. De Geschillencommissie komt tot een afwijzing van de vordering van Consument.

In beroep heeft Consument zes bezwaren tegen de beslissing van de Geschillencommissie geformuleerd en toegelicht.

De Commissie van Beroep verwerpt de eerste vier bezwaren, komt (deels daardoor) niet toe aan de resterende twee bezwaren en handhaaft de beslissing van de Geschillencommissie.

 

Klik hier voor de uitspraak in eerste aanleg.

 

  1. De procedure in beroep

 

1.1       Consument heeft bij een op 17 mei 2018 door de Commissie van Beroep financiële dienstverlening (verder: de Commissie van Beroep) ontvangen beroepschrift met bijlagen
de uitspraak van de Geschillencommissie financiële dienstverlening (verder: de Geschillencommissie) van 6 april 2018 in de zaak met dossiernummer [nummer], gepubliceerd onder nummer 2018-231, ter toetsing voorgelegd aan de Commissie van Beroep.

 

1.2       De Bank heeft een op 6 juli 2018 gedateerd verweerschrift ingediend.

 

1.3       Consument heeft vervolgens op 6 augustus 2018 een laatste reactie op het verweer van de Bank ingediend, waarop de Bank heeft gereageerd bij brief van 21 augustus 2018. De Bank heeft daarbij bezwaar gemaakt omdat de reactie niet voldoet aan de eisen van artikel 9.6 van het Reglement van de Commissie van Beroep.

Op 3 september 2018 en 12 september 2018 heeft Consument nadere stukken aan de Commissie van Beroep gezonden.

Namens de Voorzitter is Consument per mail gewezen op de beperkte mogelijkheden om na het verweerschrift alsnog processtukken in het geding te brengen. De Voorzitter heeft aan Consument meegedeeld dat de overgelegde nadere stukken niet slechts een onderbouwing zijn van hetgeen reeds naar voren is gebracht, maar dat moet worden vastgesteld dat in deze stukken opnieuw een betoog is opgenomen over – de juistheid van de – stellingen die Consument reeds eerder naar voren heeft gebracht. Het in het geding brengen van deze nadere stukken strookt niet met de strekking van het bepaalde in
artikel 9.6 van het Reglement van de Commissie van Beroep, namelijk dat het schriftelijk partijdebat beperkt is.

 

1.4       De Commissie van Beroep heeft het beroep mondeling behandeld op 24 september 2018. Beide partijen hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling een pleitnotitie aan de wederpartij en aan de Commissie van Beroep gezonden.

Consument heeft via een skypeverbinding aan die mondelinge behandeling deelgenomen.
De Bank is ter mondelinge behandeling verschenen en was vertegenwoordigd door haar gemachtigden.

Via de skypeverbinding heeft Consument zijn standpunten nader toegelicht en heeft hij gereageerd op het door de Bank gevoerde verweer, zoals dat is opgenomen in het verweerschrift en de pleitnotitie, en zoals de Bank dat ter mondelinge behandeling nader heeft toegelicht.

Verder hebben beide partijen vragen van de Commissie van Beroep beantwoord.

 

1.5       Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft de Voorzitter – onder verwijzing naar de hiervoor onder 1.3 opgenomen motivering – aan partijen meegedeeld dat de Commissie van Beroep haar beslissing over het na het partijdebat inbrengen van nieuwe processtukken handhaaft.

Consument heeft vervolgens aan de Voorzitter verzocht die beslissing te heroverwegen.
De Voorzitter heeft dit verzoek gehonoreerd en heeft verklaard dat te zullen doen.
Hierna, onder 3.1, is het resultaat van die heroverweging opgenomen.

 

 

  1. De procedure in eerste aanleg

 

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst de Commissie van Beroep naar de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van de Geschillencommissie van 6 april 2018.

 

 

  1. Inleiding op de beoordeling van het beroep

 

nadere stukken

 

3.1       Hoewel de Commissie van Beroep begrijpt dat een partij zijn of haar standpunt zo goed mogelijk wil toelichten, dienen de bepalingen van een procesreglement er voor om duidelijke en voor alle partijen geldende regels vast te stellen ten behoeve van een eerlijke procesvoering. Het reglement bevat voor de betrokken partijen voldoende gelegenheid om hun standpunten goed naar voren te brengen. Om de procedure in beroep binnen een redelijke termijn te kunnen afronden, kan iedere partij in beginsel zijn standpunt eenmaal schriftelijk toelichten, waarna er een mondelinge behandeling plaatsvindt. Ten behoeve van de mondelinge behandeling mogen partijen op grond van artikel 9.6 nog wel relevante schriftelijke bewijsstukken indienen ter onderbouwing van zijn of haar standpunt, maar geen schriftelijke reactie meer op het standpunt van de andere partij.

Rekening houdend met het vorenstaande en hetgeen de Voorzitter reeds eerder heeft overwogen en beslist (zie hiervoor onder 1.3) handhaaft de Commissie van Beroep de beslissing dat de door Consument na het verweerschrift overgelegde nadere reactie van
6 augustus 2018 niet zal worden toegevoegd aan de processtukken in de procedure in beroep en dat de Commissie van Beroep hierop geen acht zal slaan.

 

de feiten

 

3.2       De Commissie van Beroep gaat uit van de feiten die de Geschillencommissie in het bindend advies van 6 april 2018 onder 2.1 tot en met 2.4 heeft vermeld.

Die feiten zijn niet betwist en worden voor zover relevant aangevuld met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan. Kort gezegd gaat het om het volgende.

 

  • Sinds 1995 waren Consument en zijn (toenmalige) partner eigenaar van een vakantiewoning op een recreatiepark in [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], (Nederland).
    De grond waarop de woning stond pachtten zij van het recreatiepark.
  • Het recreatiepark heeft Consument de mogelijkheid gegeven de grond in eigendom te verkrijgen. Op 21 augustus 2008 heeft de Bank een (annuïtaire) hypothecaire geldlening van € 70.000,- met een looptijd van twintig jaar aan Consument en diens (voormalige) partner verstrekt voor de financiering van de grond en voor de verbouwing van de vakantiewoning, dit tegen een rentetarief van 6% voor vijf jaar. Met het afsluiten van de lening zijn de financiële lasten ter zake van de vakantiewoning licht gestegen.
  • Na scheiding van zijn partner (enige jaren later) heeft Consument met de Bank de mogelijkheden bekeken om zijn ex-partner uit de hoofdelijkheid van voornoemde geldlening te ontslaan. De geldlening is uiteindelijk ongewijzigd voortgezet.

 

  • De vakantiewoning is op 1 oktober 2015 verkocht voor een bedrag van € 33.000,-. De totale schuld van Consument en zijn ex-partner, zijnde de restschuld en een debetstand op de betaalrekening bedroeg € 42.428,17.

 

  • De ex-partner van Consument heeft na het ontstaan van de restschuld een regeling met de Bank getroffen en heeft aan haar verplichtingen jegens de Bank voldaan. Zij is per 4 mei 2018 ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.
  • Op 6 juli 2018 bedroeg de vordering van de Bank op Consument € 39.561,17.

 

de beslissing van de Geschillencommissie

3.3       De Geschillencommissie heeft in rechtsoverweging 4.1 vastgesteld dat de klacht van Consument ziet op overkreditering.

Volgens Consument was de geldlening niet passend voor zijn toen – in 2008 – geldende financiële situatie. Consument vordert dat de Bank met terugwerkende kracht afziet van haar vordering op Consument per 1 februari 2016 en dat de Bank wordt veroordeeld tot betaling van de door Consument geleden schade.

De Bank bestrijdt de vorderingen van Consument. De Bank stelt dat de geldlening is verstrekt conform de toen geldende wet- en regelgeving.

 

3.3.1    In de uitspraak van de Geschillencommissie is opgenomen om welke redenen Consument aan de Bank verwijt dat sprake was van overkreditering:

 

  • Ten tijde van de hypotheekverstrekking in 2008 was het inkomen van Consument in totaal
    € 19.642,-, bestaande uit een WAO-uitkering van € 17.641,- en een aanvulling daarop van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds van € 2.001,-. Dit betrof het gezamenlijk inkomen van Consument en zijn partner. Het is Consument niet duidelijk welke rol het in de offerte vermelde onjuiste ‘pensioeninkomen’ van de partner (ter hoogte van € 16.000,-) bij de financiering heeft gespeeld. Haar WAO-inkomen zou vier jaar na de hypotheekverstrekking € 9.400,- zijn. Indien de Bank alleen is uitgegaan van de WAO-uitkering is het gehanteerde inkomen onjuist. Ook indien wordt uitgegaan van het juiste inkomen van € 21.611,- en een daarbij behorende woonlastpercentage van 30,5% is er sprake van overkreditering.
  • Bij de berekening van de woonlast had de Parkservice Bijdrage (zoals genoemd in artikel 7.11 van de leveringsakte) in mindering moeten worden gebracht op de toegestane woon- en financieringslast. Deze jaarlijks stijgende bijdrage is onlosmakelijk verbonden aan de vakantiewoning en bedroeg in 2008 € 964,25 per jaar (exclusief administratiekosten). Het karakter van de wijze van nakoming van deze kosten maken dat deze moeten worden gezien als een krediet of financiële verplichting (zoals gedefinieerd in artikel 7:57 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 1 Wet op het consumentenkrediet). Verder heeft de Bank ten onrechte geen rekening gehouden met de huurkosten van zijn (GBA)woonadres.
  • De annuïtaire hypothecaire geldlening kende een looptijd van 20 jaar. De Bank dient daarom uit te gaan van een woonlast die is gebaseerd op de geoffreerde looptijd van
    20 jaar in plaats van 30 jaar. De genormeerde woonlast wordt dan € 6.018,12. De geldlening had daarom niet verstrekt mogen worden. Indien de Bank aan Consument had meegedeeld dat de financiering in 2008 niet haalbaar was, had Consument de grond ook kunnen blijven huren. De Bank heeft Consument niet gewaarschuwd voor de overkreditering.

3.3.2    De Bank heeft bij de Geschillencommissie gemotiveerd verweer gevoerd en heeft geconcludeerd dat de geldlening conform de toen geldende wet- en regelgeving is verstrekt.

 

3.3.3    In de uitspraak van de Geschillencommissie is vooropgesteld dat kredietverstrekkers – via de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid – op grond van de per
1 januari 2006 geldende zorgplicht, zoals thans opgenomen in artikel 4:34 Wet op het financieel toezicht, dienen te waken voor overkreditering.

Vervolgens is het volgende toetsingskader voor de beoordeling van de door Consument gestelde overkreditering opgenomen:

‘Met overkreditering wordt de situatie bedoeld waarin een krediet aan een consument wordt verstrekt en de consument de bij dit krediet behorende lasten gezien zijn financiële situatie niet kan dragen. De zorgplicht te waken voor de overkreditering verplicht kredietverstrekkers voorafgaand aan het sluiten van een kredietovereenkomst met consumenten inlichtingen in te winnen met betrekking tot de inkomens- en vermogens-positie van een consument zodat overkreditering kan worden voorkomen. Deze verplichting komt voort uit de opvatting dat een kredietverlenende bank ter zake
kundiger is en in de regel beter dan een krediet vragende consument in staat de gevolgen van kredietverstrekking te overzien, weer te geven en om te beoordelen of consument in staat zal zijn de lasten van de kredietverstrekking te (blijven) dragen (zie Hoge Raad
16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107, rechtsoverweging 4.2.6).’

 

3.3.4    De Geschillencommissie heeft verder geoordeeld dat de Bank kon uitgaan van een inkomen van Consument van € 19.642,-. De daarbij toegestane woon- en financieringslast mocht de Bank vaststellen op 29%, hetgeen uitkomt op een last van € 5.696,18. Om te bezien of de hypothecaire lening mocht worden verstrekt heeft de Bank een toetsrente
van 6% aangehouden, hetgeen naar het oordeel van de Geschillencommissie een toelaatbare toetsingsrente is. Dit levert een genormeerde jaarlast op van € 5.036,-. Dit bedrag is lager dan de maximaal toegestane woon- en financieringslast van € 5.696,18. De Geschillencommissie is verder van oordeel dat de parkbijdrage niet in mindering hoeft te worden gebracht op de toegestane woon- en financieringslast. De Bank hoefde geen rekening te houden met het aanhouden van een hoofdverblijfadres (of GBA adres), omdat de Bank niet bekend was met deze kosten. Het ten behoeve van de hypotheek opgemaakte taxatierapport vermeldde dat Consument permanent verbleef in de vakantiewoning.
De conclusie van de Geschillencommissie is dat er geen sprake is van overkreditering.
Zij heeft de vordering van Consument afgewezen.

 

4          Beoordeling van het beroep

4.1       De Commissie van Beroep onderschrijft het uitgangspunt van de Geschillencommissie dat de Bank in 2008 een zorgplicht had, in die zin dat de Bank verplicht was te waken voor overkreditering. Op de Bank rustte de verplichting informatie over de financiële positie van Consument in te winnen en die informatie vervolgens te analyseren om overkreditering te voorkomen en – dus – om tot een verantwoorde kredietverstrekking te komen.

 

4.2       In de Gedragscode Hypothecaire Financieringen (GHF 2008) zijn zelfregulerende normen voor een verantwoorde kredietverstrekking opgenomen. Die normen gelden als minimumnormen.

 

In artikel 6 GHF 2008 is, voor zover thans relevant, bepaald:

 

‘2. De hypothecair financier zal bij het bepalen van de leencapaciteit van een consument die een hypothecaire financiering aanvraagt rekening houden met huidige vaste en bestendige inkomsten, alsmede met toekomstige vrij voor de consument beschikbare inkomsten uit vermogen indien die redelijkerwijs te verwachten zijn.
Onder vrij voor de consument beschikbare inkomsten uit vermogen worden verstaan inkomsten die de consument vrij kan besteden zonder dat de vermogensbron wordt aangetast. Voor het bepalen van vrij voor de consument beschikbare inkomsten uit vermogen zal de hypothecair financier uitgaan van ten hoogste een door het Contactorgaan Hypothecair Financiers vast te stellen percentage, thans vastgesteld op 3% van de waarde van het vermogen. Indien het rentepercentage voor een hypothecaire financiering later is dan genoemd percentage zal de hypothecair financier voor het bepalen van vrij voor de consument beschikbare inkomsten uitgaan van ten hoogste het rentepercentage over de hypothecaire financiering.

 

Als de hypothecaire financiering wordt verstrekt aan meer consumenten mag de hypothecair financier bij het bepalen van de leencapaciteit rekening houden met hun gezamenlijke inkomsten.

 

  1. De hypothecair financier zal het maximale bedrag van de bruto lasten verbonden aan een hypothecaire financiering vaststellen op basis van actuele door het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) te Utrecht vastgestelde woonlastpercentages. Als de hypothecaire financiering wordt verstrekt aan meer consumenten zal het woonlastpercentage worden gebaseerd op de consument met de hoogste inkomsten.

 

  1. De hypothecair financier zal de leencapaciteit van een consument voor een hypothecaire financiering met een rentevastperiode van korter dan tien jaar berekenen op basis van een door het Contactorgaan Hypothecair Financiers vastgesteld percentage dat gebaseerd is op de marktrente over leningen aan de Nederlandse staat met een resterende looptijd van tien jaar, te verhogen met een door het Contactorgaan Hypothecair Financiers vast te stellen opslag. Deze opslag wordt vooralsnog bepaald op 1 procentpunt. De hypothecair financier mag bij het berekenen van de leencapaciteit van de consument ook een hoger toetsrentepercentage hanteren.

 

De hypothecair financier zal de leencapaciteit van een consument voor een hypothecaire financiering met een rentevastperiode van tien jaar of langer berekenen op basis van het rentepercentage dat de hypothecair financier gedurende die rentevastperiode daadwerkelijk in rekening brengt.

 

Bij de bepaling van de leencapaciteit wordt – ongeacht de aflossingsvorm of de rentevastperiode van de hypothecaire financiering – uitgegaan van ten minste de lasten behorende bij een 30-jarige annuïtaire lening.

 

  1. Als een hypothecaire financiering hoger is dan de marktwaarde bij onderhandse verkoop van het hypothecair te verbinden of verbonden registergoed, zal de hypothecair financier tijdig de consument daarop en op het daaraan verbonden risico van een restschuld wijzen en hem informeren over de gevolgen van een restschuld.’

 

4.3       Consument heeft zes bezwaren tegen de uitspraak van de Geschillencommissie geformuleerd. Consument concludeert – zo leest de Commissie van Beroep – dat de Geschillencommissie ten onrechte zijn vorderingen op de Bank, zoals hiervoor opgenomen onder 3.3 – heeft afgewezen.

De Bank acht de zes bezwaren van Consument niet terecht en verzoekt de Commissie van Beroep de uitspraak van de Geschillencommissie in stand te laten.

De Commissie van Beroep zal de zes bezwaren van Consument hierna bespreken.

 

 

 

 

 

            het eerste bezwaar in beroep

 

            kosten voor adres permanente bewoning

 

4.3.1    Consument stelt dat de Bank bij het verstrekken van de hypothecaire geldlening ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de kosten die hij heeft moeten maken voor het aanhouden van een adres waar – anders dan op het adres van de recreatiewoning – wèl permanente bewoning was toegestaan.

Volgens Consument wist de Bank in 2008, althans diende de Bank toen te weten, dat voornoemde kosten zouden moeten worden gemaakt en dat die kosten invloed zouden kunnen hebben op de mogelijkheid tot toekenning van de gevraagde hypothecaire geldlening.

De Commissie van Beroep verwerpt dit bezwaar. Evenals de Geschillencommissie is de Commissie van Beroep van oordeel dat het op de weg van Consument als eigenaar van de vakantiewoning had gelegen de Bank in 2008 te informeren over – de hoogte van – alle eventueel gemaakte en/of nog te maken kosten voor het aanhouden van een extra adres.
Niet is gesteld of gebleken dat Consument dat heeft gedaan. Dat komt voor rekening en risico van Consument.

Consument heeft weliswaar aangevoerd dat de Bank ervan op de hoogte was dat hij een huurcontract had gesloten met zijn moeder, maar er zijn onvoldoende aanknopingspunten dat daarvan sprake was. Daarbij acht de Commissie van Beroep van belang dat Consument tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat hij de vakantiewoning vanaf 2008 vrijwel permanent bewoonde, omdat hij toen verwarming had laten aanleggen en er een kamer voor zijn moeder was aangebouwd. Bij die stand van zaken ligt het niet direct voor
de hand dat de Bank er rekening mee moest houden dat Consument ook nog woonruimte bij zijn moeder bleef huren voor € 200,- per maand.

 

 

het tweede bezwaar in beroep

 

            het door de Geschillencommissie in het midden laten van de juistheid van stukken

 

4.3.2    Consument stelt dat de Geschillencommissie de juistheid van de door hem in de procedure gebrachte stukken met betrekking tot de kosten voor het aanhouden van een extra adres ten onrechte in het midden heeft gelaten (het huurcontract met zijn moeder).

De Commissie van Beroep stelt vast dat de Geschillencommissie onder 4.9 van de bestreden uitspraak heeft overwogen – kort weergegeven – dat Consument de kosten
van een extra adres in 2008 kennelijk niet aan de Bank had gemeld en dat de Geschillencommissie om die reden in het midden laat of de stukken met betrekking tot die kosten juist zijn.

Zoals ook volgt uit de beoordeling van het eerste bezwaar in beroep is de Commissie van Beroep van oordeel dat de Geschillencommissie in de gegeven situatie – waarin de Bank niet op de hoogte was gesteld van kosten van een extra adres – terecht de juistheid van die stukken in het midden heeft gelaten.

Om dezelfde reden komt ook de Commissie van Beroep niet toe aan een beoordeling van de juistheid van de door Consument in de procedure gebrachte stukken met betrekking tot de hiervoor genoemde kosten.

Op grond van het vorenstaande verwerpt de Commissie van Beroep het tweede bezwaar.

 

 

het derde bezwaar in beroep

 

de hoogte van de genormeerde woonlasten in 2008

 

4.3.3    Consument is het niet eens met de hoogte van de door de Bank in 2008 berekende woon- en financieringslast van € 5.036,28 per jaar. Volgens Consument had de Bank moeten rekenen met een toetsrente op basis van 20 jaar annuïteit in plaats van 30 jaar. Bij een juiste berekening had de Bank moeten uitkomen op een bedrag van € 6.024,- per jaar.

De Bank heeft in haar verweer in beroep haar berekening van de woon- en financieringslast

nader toegelicht. Zij handhaaft – mede onder verwijzing naar hetgeen zij ook bij de Geschillencommissie in haar verweerschrift op de bladzijden 5 en 6 heeft aangevoerd – haar standpunt dat Consument de hypotheeklasten kon dragen.

Het verweer van de Bank komt erop neer dat om praktische redenen is gekozen voor het vaststellen van de toetsrente op basis van een looptijd van 30 jaar, en dat ter compensatie is gerekend met een lager jaarinkomen (€ 19.642,- in plaats van € 21.611,26) dan het werkelijke inkomen van Consument. De Bank heeft voorgerekend dat als met het daadwerkelijke inkomen zou zijn gerekend en met een looptijd van 20 jaar, het krediet nog steeds had mogen worden verstrekt.

Consument heeft dit verweer van de Bank niet weersproken, zodat de Commissie van Beroep uitgaat van de juistheid daarvan.

Overigens is onweersproken gebleven dat Consument in het adviesgesprek in 2008 heeft bevestigd dat hij de hypotheeklasten kon dragen. Dat blijkt ook uit het feit dat hij zijn betalingsverplichting gedurende de eerste jaren steeds is nagekomen. Voorts heeft Consument onweersproken gelaten dat de betalingsproblemen pas ontstonden vanaf het moment dat hij een vergoeding moest betalen voor de schade aan een motor waarmee hij in [land] een ongeluk had gehad.

De conclusie is dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om ervan uit te gaan dat de Bank een onjuiste berekening heeft gemaakt.

De Commissie van Beroep verwerpt daarom ook het derde bezwaar.

 

 

het vierde bezwaar in beroep

de jaarlijkse parkbijdrage

 

4.3.4    Consument stelt dat de jaarlijkse parkbijdrage (van € 964,25 per jaar exclusief administratiekosten in 2008) in mindering dient te worden gebracht op de toegestane woon- en financieringslast. Consument voert daartoe aan dat hij die bijdrage niet ineens kan betalen en dat de daarom overeen te komen betalingsregeling moet worden aangemerkt als een kredietovereenkomst.

Anders dan Consument is de Commissie van Beroep van oordeel dat de Geschillen-commissie terecht heeft beslist dat geen sprake is van een kredietovereenkomst. De Commissie van Beroep onderschrijft die beslissing en de daarvoor gegeven motivering, daaronder begrepen de – ten overvloede gegeven – overweging van de Geschillencommissie dat in artikel 7:57 van het Burgerlijk Wetboek (eerste lid, aanhef en onder c) is opgenomen: ‘met uitzondering van overeenkomsten van doorlopende dienstverlening (…) waarvan de consument, zolang de diensten worden geleverd, de kosten daarvan in termijnen betaalt’.

De Commissie van Beroep verwerpt ook de stelling van Consument dat rekening had moeten worden gehouden met de parkbijdrage omdat het gaat om onderhoudskosten. Onderhoudskosten worden in beginsel ook niet in de inkomenstoets meegenomen.

Het vierde bezwaar in beroep wordt op grond van het bovenstaande verworpen.

 

 

het vijfde bezwaar in beroep

 

behandeling van dit bezwaar (betreffende bedrog) indien overkreditering is vastgesteld

 

4.3.5    Consument heeft verzocht het vijfde bezwaar (het door Consument gestelde en volgens hem concreet gemaakte bedrog) alsnog te behandelen indien het – deels – honoreren van een eerder behandeld bezwaar leidt tot het oordeel dat de in 2008 verstrekte hypothecaire geldlening aan Consument tot een overkreditering heeft geleid.

De Commissie van Beroep zal de behandeling van dit vijfde bezwaar achterwege laten omdat niet aan de daartoe gestelde voorwaarde van Consument is voldaan.

 

 

het zesde bezwaar in beroep

de wijze waarop de algemene behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden en de wijze waarop de Geschillencommissie tot haar beslissing is gekomen

 

4.3.6    De Commissie van Beroep stelt vast dat dit zesde bezwaar in beroep geen zelfstandige betekenis heeft nu de Commissie van Beroep gemotiveerd heeft beslist op de in beroep door Consument geformuleerde en nadere toegelichte bezwaren.

 

4.4       Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat ook de Commissie van Beroep de vorderingen van Consument niet toewijsbaar acht. De beslissing van de Geschillencommissie zal daarom worden gehandhaafd.  

 

 

  1. Beslissing

 

De Commissie van Beroep

 

  • handhaaft de bestreden beslissing.
Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact