Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2019-151 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2019-151
(mr. R.J. Paris, voorzitter, mr. B.F. Keulen, mr. W.H.G.A. Filott, leden en
mr. D.W.Y. Sie, secretaris)

Klacht ontvangen op : 6 april 2018
Ingediend door : Consument
Tegen : ALFAM Holding N.V. h.o.d.n. DEFAM, gevestigd te Bunnik, verder te noemen de Bank
Datum uitspraak : 1 maart 2019
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting

De Bank heeft een kredietaanvraag ontvangen, waarbij gebruik is gemaakt van het rekening-nummer van de minderjarige zoon van Consument. Consument heeft als wettelijk vertegenwoordiger als enige toegang tot deze bankrekening. De Bank heeft de persoonsgegevens van Consument naar aanleiding van de kredietaanvraag voor de duur van vijf jaar geregistreerd in het EVR en het Incidentenregister vanwege valsheid in geschrifte. De Bank heeft daarbij aangifte gedaan van het incident. Nadat het OM Consument een sepot heeft gestuurd wegens on-voldoende wettig en overtuigend bewijs, heeft zij de Bank verzocht de registratie te herzien en te verwijderen. De strafrechtelijke aard van de te verwerken gegevens brengt met zich mee dat deze gegevens in voldoende mate moeten vaststaan. Het moet gaan om zodanig concrete feiten en omstandigheden dat zij als een strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van
artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht kunnen dragen. Vanaf het moment dat de Bank bekend is geworden met de seponering van de strafzaak wegens onvoldoende bewijs, is de registratie niet langer meer gerechtvaardigd. De feiten zijn immers gewogen door het OM en
te licht bevonden. Het is aan de Bank om, na een dergelijk sepotbesluit van het OM, een herbeoordeling te doen van de registraties. Dat is in het onderhavige geval niet gebeurd. De Commissie concludeert dat de Bank de registraties van de persoonsgegevens van Consument in het EVR en het Incidentenregister dient te verwijderen.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken met de daarbij behorende bijlagen:

· het namens Consument ingediende klachtformulier;
· het verweerschrift van de Bank;
· de namens Consument ingediende repliek;
· de dupliek van de Bank.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.

Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 18 december 2018 en zijn aldaar verschenen.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Op 26 juli 2016 heeft de Bank via de tussenpersoon ‘de Nederlandse Kredietmaatschappij’ een kredietaanvraag ontvangen van 18 juli 2016 voor een bedrag van € 7.500,-. Bij de aanvraag is gebruik gemaakt van het rekeningnummer van de minderjarige zoon van Consument.

2.2 De kredietovereenkomst luidt, voor zover relevant, als volgt:

2.3 (…)

2.4 Op 4 augustus 2016 heeft de Bank Consument per brief bericht dat haar persoons-gegevens zijn opgenomen in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister.

Reden hiervoor is dat de Bank het sterke vermoeden heeft dat Consument betrokken is geweest bij een incident. In de brief heeft de Bank Consument de mogelijkheid geboden om binnen veertien dagen tegenbewijs te leveren.

2.5 Op 29 augustus 2016 heeft de Bank aangifte bij de politie gedaan tegen Consument wegens valsheid in geschrifte.

2.6 Op 6 maart 2017 heeft Consument een brief ontvangen van het Arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant. In de brief wordt aan Consument medegedeeld dat zij sinds
5 september 2016 wordt verdacht van valsheid in geschrifte, gepleegd op
29 augustus 2016. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft na bestudering van de stukken besloten de zaak tegen Consument te seponeren wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

2.7 Naar aanleiding van de sepotbrief van het OM heeft Consument bij brief van
2 februari 2018 de Bank verzocht de registraties te herzien en te verwijderen.

2.8 Op 28 februari 2018 heeft de afdeling Fraudepreventie van de Bank Consument een e-mail gestuurd die, voor zover relevant, als volgt luidt:
“Uit de beschikking blijkt echter niet op welk incident het sepot van toepassing is. De betekenis van een sepot is dat er wordt besloten de strafzaak terzijde te leggen en niet verder te vervolgen. Meestal is dit in verband met onvoldoende bewijs. Onvoldoende bewijs wil echter niet zeggen dat er geen betrokkenheid van u is geweest bij het doen van de betreffende frauduleuze kredietaanvraag.

Uit ons onderzoek is gebleken dat de gelden van het aangevraagde krediet uitbetaald hadden moeten worden ten gunste van rekening (…) De ING Bank heeft bevestigd dat u de enige Wettelijke Vertegenwoordiger op deze rekening was. Hieruit blijkt dat u als enige voordeel zou hebben behaald uit kredietverstrekking op basis van vervalste documenten.

Op basis van bovenstaande hebben wij voldoende gronden om de registratie in het EVR te handhaven. Volgens het protocol zijn wij gerechtigd u voor een periode van 8 jaar in het EVR te registreren. Echter hebben wij reeds een proportionaliteitsafweging gemaakt en u voor de duur van 5 jaar geregistreerd.”

2.9 In het toepasselijke ‘Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen van
23 oktober 2013’ (hierna: ‘het Protocol’) is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“2. Begripsbepalingen
In dit Protocol wordt verstaan onder:
(…)
Incident: een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.
(…)
3.1 Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister
3.1.1 Iedere Deelnemer heeft een Incidentenregister, waarin door de betreffende Deelnemer gegevens van (rechts)personen worden vastgelegd ten behoeve van het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) Incident.
(…)
3.1.2 Aan het Incidentenregister is het Extern Verwijzingsregister gekoppeld.
(…)
4 Incidentenregister
4.1 Doel Incidentenregister
4.1.1 Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren:
“Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:
– op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;
– op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;
– op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.”
(…)
5 Extern Verwijzingsregister
5.1 Functie van het Extern Verwijzingsregister
5.1.1 Volledige en ongecontroleerde toegang tot het Incidentenregister van een Deelnemer door de overige Deelnemers is niet wenselijk. Daarom is er voor gekozen aan het Incidentenregister een Extern Verwijzingsregister te koppelen. In het Extern Verwijzingsregister zijn uitsluitend Verwijzingsgegevens opgenomen. Het Extern Verwijzingsregister is raadpleegbaar door de (Organisaties van de) Deelnemers. Nadat door een Deelnemer wordt vastgesteld dat een (rechts)persoon is opgenomen in het Externe Verwijzingsregister, zijn volgens het bepaalde in artikel 4.2 Protocol gegevens uit het Incidentenregister voor de Deelnemer beschikbaar. Op deze wijze worden gegevens uit het Incidentenregister op een zorgvuldige en gecontroleerde wijze beschikbaar voor de (Organisaties van de) Deelnemers.

5.2 Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister
5.2.1 De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.

a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.
b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.
c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.”

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering van Consument
3.1 Primair vordert Consument verwijdering van haar persoonsgegevens uit het Extern Verwijzingsregister (EVR) en het Incidentenregister. Subsidiair vordert Consument verkorting van de duur van de registraties naar twee jaar.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag.
· De gegevens van Consument zijn opgenomen in het EVR en het Incidentenregister, omdat zij fraude zou hebben gepleegd. Consument ontkent haar betrokkenheid bij het plegen van fraude. De Bank heeft – gelet op het sepot – onvoldoende aangetoond dat de fraude toe is te rekenen aan Consument. Bovendien is de (duur van de) registratie van de gegevens van Consument in het EVR en Incidentenregister disproportioneel. Consument is alleenstaande ouder, die een woning wenst te kopen voor haar en haar minderjarige zoon. Door de registraties kan Consument geen woning kopen, terwijl zij wel over voldoende inkomen beschikt. Vanwege de hoge huurprijzen woont Consument nu ver van haar werk en kinderopvang, hetgeen ook bezwarend is voor haar zoon.

Verweer van de Bank
3.3 De Bank heeft de stellingen van Consument gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig zal de Commissie bij de beoordeling daarop ingaan.

4. Beoordeling

Inleiding
4.1 De klacht van Consument ziet in de kern op de proportionaliteit van de opname van haar persoonsgegevens in zowel het Incidentenregister als het EVR van de Stichting Fraude-bestrijding Hypotheken. De Commissie dient allereerst te beoordelen of de Bank heeft mogen overgaan tot het doen van deze registraties. Daarna zal de Commissie beoordelen of de Bank gehouden is tot doorhaling van de registraties dan wel verkorting van de duur van de registraties naar twee jaar.

Opname van de persoonsgegevens in het EVR
4.2 De Bank is verplicht bij de verwerking van persoonsgegevens in het EVR te handelen conform het Protocol. Opname van persoonsgegevens in het Incidentenregister en het EVR, met name de registratie in het EVR, kan voor de betrokkene verstrekkende consequenties hebben. Alle deelnemende financiële instellingen kunnen immers door toetsing in het EVR vaststellen dat sprake is van opname van een betrokkene in het Incidentenregister van (een) andere deelnemer(s). Het gevolg hiervan kan zijn dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het EVR is overgegaan, maar ook andere deel-nemers hun (financiële) diensten aan de betrokkene zullen weigeren of deze slechts zullen aanbieden tegen hogere tarieven. Tegen deze achtergrond is de Commissie van oordeel dat hoge eisen moeten worden gesteld aan de grond(en) van de Bank voor opname van de persoonsgegevens van Consument in de genoemde registers. Zie o.a. Hof Arnhem-Leeuwarden 26 januari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:494, rechtsoverweging 4.3 en uitspraak GC Kifid 2017-717 onder 4.2 en 2018-377 onder 4.2.

4.3 Ten tijde van de registratie van de persoonsgegevens van Consument waren het Protocol en Wet Bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp, thans de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) die ten aanzien van de toepasselijke bepalingen niet afwijkt van de Wbp) van kracht. De opname van persoonsgegevens in het Incidentenregister en het EVR is slechts gerechtvaardigd indien zij in overeenstemming is met de Wbp en het Protocol. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wbp is daarbij gedacht aan gegevens in verband met strafbaar of hinderlijk gedrag, die tot gevoelige gegevens behoren omdat de betrokkene in verband wordt gebracht met strafrechtelijk verwijtbaar gedrag. Artikel 5.2.1 onder a en b van het Protocol bepaalt onder welke voorwaarden persoonsgegevens mogen worden opgenomen in het EVR. Het moet gaan om gedragingen van de betrokkene die een bedreiging vormden, vormen of kunnen vormen voor de (financiële) belangen van een financiële instelling, alsmede voor de continuïteit en integriteit van de financiële sector. De strafrechtelijke aard van de te verwerken gegevens brengt mee dat deze gegevens in voldoende mate moeten vaststaan.

Het moet gaan om zodanig concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Straf-vordering kunnen dragen. Een strafrechtelijke veroordeling is niet vereist, maar anderzijds is de enkele verdenking van betrokkenheid bij een strafbaar feit in de zin van een vermoeden van schuld, zoals dat kan blijken uit een aangifte, niet voldoende. Als maatstaf heeft te gelden of de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoons-gegevens in voldoende mate moeten vaststaan. Zie rechtsoverweging 4.4. van Hoge Raad 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720.

4.4 Voor de vraag of de Bank de persoonsgegevens van Consument rechtmatig heeft geregistreerd is van belang welke waarde toegekend moet worden aan het sepot van het OM. Immers de Bank heeft het besluit genomen om de persoonsgegevens van Consument op te nemen in het EVR, omdat zij heeft geconcludeerd dat Consument betrokken is bij een frauduleuze kredietaanvraag. Consument heeft de rechtmatigheid van de registratie van de persoonsgegevens betwist en uit het sepot blijkt dat volgens het OM voor valsheid in geschrifte het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Er dient daarbij onderscheid gemaakt te worden tussen de situatie vóór het sepot en de situatie ná het sepot. Tot aan het moment dat de Bank bekend is geworden met het sepot, mocht zij in redelijkheid ervan uitgaan dat de vermelding van de persoonsgegevens in het Incidentenregister en het EVR wegens verdenking van valsheid in geschrifte gerechtvaardigd was. Consument was immers, kort gezegd, feitelijk de begunstigde van het aangevraagde krediet en haar betoog dat iemand haar “een hak wilde zetten” heeft zij niet toegelicht. Vanaf het moment dat de Bank bekend is geworden met de seponering van de strafzaak wegens onvoldoende bewijs geldt het voorgaande echter niet langer. De feiten zijn immers gewogen door het OM en door hem te licht bevonden. Daarmee is niet langer voldaan aan de maatstaf van artikel 5.2.1 onder a en b van het Protocol in die zin dat de Bank er in redelijkheid niet meer van kan uitgaan dat sprake is van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aan valsheid in geschrifte. Nadat zij bekend is geworden met het sepot ligt het op de weg van de Bank om de registratie van de persoonsgegevens te heroverwegen. Zie de uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch 7 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5390, overwegingen 3.5.4 en 3.5.5.

4.5 De Commissie overweegt dat de aangifte van de Bank heeft geleid tot strafrechtelijk onderzoek tegen Consument. Na het seponeren van strafrechtelijke vervolging door het OM op de grond van ‘onvoldoende wettig en overtuigend bewijs’, was het aan de Bank om een herbeoordeling te doen van de rechtmatigheid van de registraties van de persoons-gegevens van Consument.

Het is dan aan de Bank om te motiveren op welke gronden zij van mening is dat ondanks het sepotbesluit van het OM er geen aanleiding is de beslissing tot de registraties te herzien of de duur van de registraties te bekorten en om eventueel nieuwe feiten en/of om-standigheden naar voren te brengen. Een enkele verwijzing naar een eerder ingenomen standpunt, zoals de Bank hier heeft gedaan, valt niet aan te merken als zulk een her-beoordeling en is daarom niet voldoende.

4.6 Ter zitting heeft de Bank een pleitnota overgelegd, waarin zij voor het eerst meldt dat de gedragingen van Consument niet alleen strafbaar zijn gesteld als valsheid in geschrifte, maar ook als (poging tot) oplichting en identiteitsfraude. De Commissie overweegt dat de sepotbeslissing van het OM, de proportionaliteitsmatrix en het verweerschrift geen ander incident vermelden dan ‘valsheid in geschrifte’. Aangezien de Bank niet heeft gesteld dat ook die andere strafbaarstellingen als incident zijn geregistreerd, gaat de Commissie ervan uit dat alleen voor valsheid in geschrifte een registratie in het Incidentenregister en het EVR is geplaatst. De registratie in het EVR is, gelet op het sepot van het OM, niet meer terecht.

4.7 Het voorgaande leidt ertoe dat de Commissie van oordeel is dat niet voldaan is aan de vereisten voor registratie in het EVR, zoals genoemd in artikel 5.2.1 onder a en b van het Protocol. De stellingen van partijen die betrekking hebben op de proportionaliteit van (de duur van) de registratie, hoeven daarom niet te worden besproken.

Incidentenregistratie
4.8 Vervolgens is de vraag aan de orde of de incidentenregistratie wel mag worden gehandhaafd. Opname in het Incidentenregister is, op grond van artikel 3.1.1 Protocol, toegestaan wanneer sprake is van een Incident als omschreven in artikel 2 van het Protocol en het doel van het Incidentenregister zoals omschreven in artikel 4.1.1 van het Protocol is gediend bij registratie. Indien niet langer aan de voorwaarden van artikel 3.1.1 is voldaan, dient de Bank, op grond van artikel 4.3.1 Protocol zorg te dragen voor verwijdering van de gegevens. Dit volgt ook uit artikel 36 Wbp waarin het recht op verwijdering van persoonsgegevens is opgenomen indien de gegevens niet, of niet langer, ter zake dienend zijn.

4.9 In onderhavig geval zijn de persoonsgegevens van Consument geregistreerd naar aan-leiding van en betrekking hebbend op een Incident, waarbij het ging om een mogelijke (poging tot een) strafbare gedraging als valsheid in geschrifte. De Commissie is van oor-deel dat de geregistreerde gegevens niet langer ter zake dienend zijn zodra duidelijk is geworden, door onderzoek of anderszins, dat de voorhanden gegevens niet van dien aard zijn dat zij redelijkerwijs een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld rechtvaardigen (vgl. HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720).
In dat geval kan immers niet langer worden gezegd dat registratie kan bijdragen aan het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van strafbare gedragingen, of dat registratie anderszins nog kan bijdragen aan de in artikel 4.1.1 Protocol omschreven doelen. Registratie van de gegevens in het Incidentenregister is dan niet langer gerecht-vaardigd. Dit strookt ook met genoemde beslissing van de Hoge Raad van 29 mei 2009.

4.10 Gelet op het oordeel, zoals hierboven overwogen dat de vastgestelde gedragingen geen zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, is het doel van de Incidentenregistratie niet langer gediend. Dit brengt mee dat de Bank is gehouden de registratie in het Incidentenregister ongedaan te maken.

Conclusie
4.11 De Commissie is van oordeel dat de Bank gehouden is de registratie van de persoons-gegevens van Consument in zowel het EVR als het Incidentenregister te verwijderen. De vordering van Consument wordt hiermee toegewezen.

5. Beslissing

De Commissie beslist dat de Bank binnen vier weken na de dag waarop een afschrift van deze beslissing aan partijen is verstuurd, de registratie van de gegevens van Consument in het EVR en het Incidentenregister dient te verwijderen en dat aan Consument schriftelijk dient te bevestigen.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact