Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2015-043 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2015-043 d.d. 5 februari 2015
(mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter, mr. A.P. Luitingh en mr. W.H.G.A. Filott mpf, leden en mr. P. G. Salvadori, secretaris)
Samenvatting
Consument stelt dat zij de kredietovereenkomst, waarop zowel haar handtekening als die van haar ex-partner staat, niet heeft ondertekend. Op basis van hetgeen door Consument op dit punt is gesteld en ter zitting is besproken, bestaat voor de Commissie geen enkele concrete aanleiding om te veronderstellen dat de handtekening van Consument vervalst zou zijn. De Commissie acht derhalve onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Consument niet zelf haar handtekening heeft gezet. Consument is om die reden in beginsel gebonden aan de inhoud van de overeenkomst en hoofdelijk aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende verbintenissen. Daarnaast stelt Consument dat sprake is geweest van overkreditering. Op basis van de door de ex-partner van Consument bij de aanvraag opgegeven informatie was er geen overschrijding van de maximaal toegestane kredietsom. De Commissie wijst de vordering af.

Consument

tegen

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Nederlandse Voorschotbank B.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen Aangeslotene

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:
– het dossier van de Ombudsman Financiële Dienstverlening;
– het verzoek tot geschilbeslechting van Consument, ontvangen op 13 juni 2014;
– het verweerschrift van Aangeslotene;
– de repliek van Consument;
– de dupliek van Aangeslotene;
– de brief van Aangeslotene van 29 december 2014;
– de brief van de gemachtigde van Consument van 29 december 2014;
– de brief van Aangeslotene van 30 december 2014;

2. Overwegingen

De Commissie heeft het volgende vastgesteld.
Tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening heeft niet tot oplossing van het geschil geleid. Beide partijen zullen het advies van de Commissie als bindend aanvaarden. Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 11 november 2014 en zijn aldaar verschenen.

Na de mondelinge behandeling zijn partijen in overleg getreden over de mogelijkheid van een minnelijke afdoening van de klacht van Consument. Bij brief van 29 december 2014 heeft Aangeslotene aan de Commissie laten weten thans niet bereid te zijn tot het treffen van een minnelijke regeling. Consument heeft diezelfde dag per brief gesteld dat ter zitting tussen partijen zou zijn overeengekomen dat de aansprakelijkheid van Consument zou worden beperkt, maar dat alleen nog de vraag was in hoeverre. Dit wordt door Aangeslotene betwist. De Commissie stelt in dit kader vast dat ter zitting geen overeenkomst tot stand is gekomen, anders dan een afspraak tussen partijen om in nader overleg te treden. Nu een minnelijke regeling niet tot stand is gekomen, zal de Commissie overgaan tot het doen van een einduitspraak.

3. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten:
3.1. In juli 2008 is op naam van Consument en haar toenmalige partner een kredietovereenkomst gesloten met Aangeslotene ten bedrage van € 37.000,- (hierna ook te noemen ‘het krediet’). De overeenkomst bevat de handtekeningen van Consument en haar toenmalige partner, en bepaalt onder meer: “Treden meer dan één persoon als Cliënt op, dan zijn zij ieder hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk. Zij machtigen elkaar over en weer ten laste van het Doorlopend Krediet opnamen te doen.”.
3.2. De gehele kredietsom is direct opgenomen en aangewend voor:
– Een betaling van € 18.500,- aan Interbank ter aflossing van een bestaand krediet;
– Een betaling van € 15.600,- aan een autogarage voor de aankoop van een auto;
– Een betaling van € 2.086,- aan Cardif ter financiering van een koopsomverzekering;
– Een overboeking van € 814,- naar de betaalrekening van de ex-partner van Consument.
De in dit kader aan Aangeslotene verschafte betalingsopdracht is voorzien van de handtekeningen van Consument en haar ex-partner.
3.3. Het krediet is tot stand gekomen door bemiddeling van [naam]. Bij de aanvraag voor het krediet is opgegeven dat sprake was van samenwoning van Consument en haar ex-partner, dat de ex-partner van Consument een netto maandinkomen had van
€ 1.938,- en Consument van € 300,-. Tevens is opgave gedaan van een maandelijkse huurprijs van de woning van € 250,-. Ter onderbouwing van de huurprijs en het inkomen van consument is een bankafschrift aangeleverd. Ook is een werkgeversverklaring van Consument overgelegd;
3.4. De ex-partner van Consument heeft de lasten van het krediet tot de datum van de mondelinge behandeling van het geschil voor de Commissie voldaan. Deze lasten bestaan sinds 2008 alleen uit rente en de hoofdsom bedraagt thans nog € 37.000,-, zo blijkt uit de mededelingen van Aangeslotene ter zitting. Aangeslotene heeft verklaard Consument slechts tot betaling te zullen aanspreken indien haar ex-partner zijn verplichtingen jegens Aangeslotene niet meer nakomt. In dat geval zegt Aangeslotene toe rekening te houden met de dan actuele betalingscapaciteit van Consument.

4. De vordering en grondslagen

4.1. Consument vordert dat Aangeslotene wordt veroordeeld om Consument te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid tot nakoming van de verbintenissen uit hoofde van het krediet, dan wel deze aansprakelijkheid te beperken tot een bedrag dat in haar gegeven financiële situatie passend is.
4.2. Aan deze vordering legt Consument twee stellingen ten grondslag:
– Consument stelt bij de totstandkoming van het krediet niet betrokken te zijn geweest en dat geen sprake was van wilsovereenstemming. Haar ex-partner heeft in dat kader al het contact gehad met de tussenpersoon en alle benodigde documenten aangeleverd. Consument betwist haar handtekening onder de overeenkomst te hebben gezet;
– De kredietverstrekking is vanwege het geringe inkomen van de partners afzonderlijk niet verantwoord geweest. De door de ex-partner aangeleverde stukken bij de aanvraag van het krediet gaven een verkeerde weergave van de feitelijke woonlasten. Consument en haar ex-partner hadden in werkelijkheid een koopwoning en een hypothecaire geldlening. Aangeslotene heeft de door de ex-partner aangeleverde informatie en documenten ten onrechte niet gecontroleerd op juistheid. Voorts heeft Aangeslotene nagelaten om objectieve bronnen als kadaster en BKR te raadplegen.
4.3. Op de stellingen die Aangeslotene aan haar verweer ten grondslag legt wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. Beoordeling

5.1. De Commissie stelt allereerst vast dat onder de overeenkomst in kwestie zowel de handtekening van de ex-partner als die van Consument staat. Op basis van hetgeen door Consument op dit punt is gesteld en ter zitting is besproken, bestaat voor de Commissie geen enkele concrete aanleiding om te veronderstellen dat de handtekening van Consument vervalst zou zijn. De Commissie acht derhalve onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Consument niet zelf haar handtekening heeft gezet. Consument is om die reden in beginsel gebonden aan de inhoud van de overeenkomst en hoofdelijk aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende verbintenissen. Ook indien de kredietaanvraag door de ex-partner is gedaan en dus geheel buiten Consument om, leidt dat niet tot een andere conclusie. Consument wordt immers geacht de inhoud van een overeenkomst te hebben doorgenomen alvorens zich daarmee akkoord te verklaren. Van een aanvullende controleverplichting van Aangeslotene in dat kader is geen sprake.
5.2. Voor de vraag of sprake is van onverantwoorde kredietverstrekking, stelt de Commissie voorop dat het een gezamenlijke aanvraag betrof. In dat geval wordt uitgegaan van de gezamenlijke inkomsten en vaste lasten van de aanvragers. Op basis van de door de ex-partner van Consument bij de aanvraag opgegeven informatie was er geen overschrijding van de maximaal toegestane kredietsom.
5.3. De Commissie overweegt voorts dat een kredietnemer dient in te staan voor de juistheid van de door hem bij de aanvraag opgegeven informatie en verstrekte documentatie. Van een kredietverstrekker hoeft in beginsel dan ook niet verlangd te worden dat zij aanvullend onderzoek doet naar de juistheid daarvan, tenzij er een concrete aanleiding bestaat om daaraan te twijfelen. Van een dergelijke aanleiding is dit geval niet gebleken.
5.4. Nu het er voor moet worden gehouden dat Consument zich door ondertekening van de overeenkomst hoofdelijk tot volledige nakoming van de daaruit voortvloeiende verbintenissen heeft verplicht en niet vast is komen te staan dat sprake is geweest van onverantwoorde kredietverstrekking kan de vordering van Consument tot ontslag uit, dan wel beperking van de hoofdelijke aansprakelijkheid niet slagen. De Commissie wijst de vordering dan ook af.
5.5. Alle overige door partijen ingebrachte stellingen en argumenten kunnen niet tot een ander oordeel leiden en zullen derhalve onbesproken blijven.

6. Beslissing

De Commissie stelt bij bindend advies vast dat de vordering van Consument wordt afgewezen.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor kifid.nl/consumenten/wie-behandelt-mijn-klacht/4#stappen-plan.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 13:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact