Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2015-195 (Bindend)

Uitpraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2015-195 d.d.
3 juli 2015
(mr. J.S.W. Holtrop, Voorzitter en mr. E.J. Heck, secretaris)

Consument,

tegen

ASR Levensverzekering N.V., gevestigd te Utrecht, hierna te noemen Aangeslotene.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:

– het dossier van de Ombudsman Financiële Dienstverlening, inclusief de eindbeslissing van
de Ombudsman d.d. 23 april 2014;
– het door Consument ondertekende vragenformulier van 21 april 2014;
– de brief van Consument van 22 april 2014, binnengekomen op 23 juli 2014;
– het verweerschrift van Aangeslotene;
– de repliek van Consument;
– de dupliek van Aangeslotene;
– de brief van Aangeslotene van 20 mei 2015 naar aanleiding van de tijdens de zitting van 22
april 2015 gemaakte afspraken;
– de brief van Consument in reactie hierop van 3 juni 2015.

2. Overwegingen

De Commissie heeft het volgende vastgesteld.
Tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening heeft niet tot oplossing van het geschil geleid. Beide partijen zullen het advies van de Commissie als bindend aanvaarden.
Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 22 april 2015 en zijn aldaar verschenen.
3. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten:

3.1. Op 5 mei 1983 is door een rechtsvoorganger van Aangeslotene een kapitaalverzekering met overrentedeling opgemaakt met polisnummer [nummer]. Ingangsdatum is 15 mei 1983 en einddatum 15 mei 2013.
Het verzekerde kapitaal bij overlijden bedraagt f 208.000,-. Bij in leven zijn op de einddatum is een kapitaal verzekerd ad f 104.000,- vermeerderd met renteparticipatie. Op de verzekering zijn onder meer van toepassing de voorwaarden RECHT OP RENTEPARTICPATIE RP. De rechten uit de verzekering zijn tot meerdere zekerheid voor de aflossing van een hypothecaire geldlening verpand aan N.V. [naam].

3.2. In de voorwaarden RECHT OP RENTEPARTICPATIE RP wordt in artikel 2 Korte
inhoud vermeld: “Renteparticipatie houdt in, dat de maatschappij aanneemt van de
beleggingen, staande tegenover een toeneming van de netto wiskundige reserve van de
verzekering een zelfde rendement te maken als van de obligatieleningen die in artikel 5 nader
worden omschreven volgens de daar vermelde regels. De op deze wijze berekende
rentebaten worden voor zover zij een rendement van 3 1/2 % van de hiervoor bedoelde
beleggingen overtreffen aangewend voor de verhoging van het verzekerde kapitaal en de
eventueel medeverzekerde rente. (…..).”

3.3. Op 20 november 1987 is door een rechtsvoorganger van Aangesloten een offerte uitgebracht voor een hypothecaire lening tot een bedrag van f 295.000,-.
Daarin wordt onder meer vermeld:
“Andere zekerheid Een bij een onze werkmaatschappijen te sluiten
levensverzekering met gegarandeerde interestparticipatie: Tarief 21 Kapitaal: f 221.250,-, duur 26 jaar
Conversie polis [nummer]”

3.4. Op 25 januari 1988 is aan Consument door diens assurantiebemiddelaar een afschrift van een polis met nummer [nummer 1] gezonden.
Ingangsdatum is 15 november 1987 en einddatum 15 november 2013. Het verzekerde kapitaal bij overlijden voor de einddatum of bij in leven zijn op de einddatum bedraagt
f 222.925,-.
In een clausuleblad is opgenomen dat in de verzekering is opgenomen de waarde van de verzekering met polisnummer [nummer] die daarmee is vervallen.
Op de polis wordt onder meer vermeld: “De verzekering geeft recht op renteparticipatie volgens de voorwaarden RP4.”

3.5. In de VOORWAARDEN RECHT OP RENTEPARTICIPATIE RP4 wordt in artikel 2 Korte inhoud vermeld: “Renteparticipatie houdt in, dat de maatschappij aanneemt van de beleggingen, staande tegenover de toeneming van de reserves van de verzekering een zelfde rendement te maken als van de obligatieleningen die in artikel 5 nader worden omschreven volgens de daar vermelde regels.

De op deze wijze berekende rentebaten worden voor zover zij een rendement van 4 1/2 % van de hiervoor bedoelde beleggingen overtreffen, aangewend voor de verhoging van het verzekerde kapitaal en de eventueel medeverzekerde erfrente en opvoedrente.
(….).”

3.6. In artikel 5 VASTSTELLING VAN DE RENTEPARTICIPATIE WORDT onder meer vermeld:
“1. Op de wijze, zoals is aangegeven in lid 2 (van dit artikel, toevoeging GC) wordt nagegaan hoeveel het gemiddelde reële
rendement voor de maanden januari, april, juli en oktober van het kalenderjaar
voorafgaande aan de datum van de vaststelling van de renteparticipatie bedraagt over alle
guldensobligaties, uitgegeven door de Staat der Nederlanden, die:

a. Een gemiddelde resterende looptijd hebben van tien jaar of langer (vast te stellen in dagen nauwkeurig);
b. Opgenomen zijn in de officiële Prijscourant van de Vereeniging voor den Effectenhandel te Amsterdam;
c. Reeds gedurende 1 jaar na de datum van inschrijving in de bedoelde prijscourant zijn opgenomen en
d. niet boven pari staan.

2. (……)

3. Als het gemiddelde van de percentages, bepaald op de wijze omschreven in het vorige lid,
voor de maanden januari, april, juli en oktober van het kalenderjaar, voorafgaande aan de
datum van de berekening, hoger is dan vier en een half, is het meerdere de
renteparticipatie.”

3.7. In artikel 6 VASTSTELLING VAN DE VERHOGING wordt onder meer vermeld:
“ De verhoging wordt vastgesteld door de per een berekeningsdatum in totaal beschikbare
renteparticipatie aan te wenden als netto koopsom. Deze netto-koopsom wordt berekend
op basis van 4% samengestelde intrest, de inmiddels door de verzekerde bereikte leeftijd
en de nog toekomstige duur van de verzekering.
(…..)”

3.8. In het AANHANGSEL VASTSTELLING RENDEMENT VR wordt vermeld:
“Hierbij wordt vastgesteld dat tot nader order bij de vaststelling van het reële rendement in
het kader van de renteparticipaties uitgegaan wordt van het gemiddelde reële rendement
van alle aflosbare guldensobligaties uitgegeven door de Staat der Nederlanden en
opgenomen in de officiële Prijscourant van de Vereeniging voor den Effectenhandel te
Amsterdam.
Vanzelfsprekend wordt dit zgn. SR-rendement slechts toegepast wanneer dit hoger is dan
de uitkomst van de in de polisbepalingen m.b.t. het recht op renteparticipatie vastgestelde
berekeningswijze.”

3.9. Op 13 november 2013 heeft Aangeslotene aan Consument uitgekeerd een bedrag ad
€ 121.769,-.

4. De vordering, grondslagen en verweer

4.1. Consument vordert een bedrag ad € 12.096,- respectievelijk € 17.500,-. Eerstgenoemd bedrag is het verschil tussen de door hem af te lossen hypothecaire geldlening ad
€ 133.865,- verminderd met het door Aangesloten uitgekeerde verzekerde bedrag inclusief renteparticipaties ad € 121.769,-.
Het als tweede vermelde bedrag is het verschil tussen de door Consument zelf geschatte uitkering als de renteparticipatie gebaseerd was geweest op een percentage van 4 boven de obligatiekoers in plaats van op 3.

4.2. Deze vordering steunt kort en zakelijk op de volgende grondslagen:

– Op de door Consument bij Aangeslotene gesloten verzekering met polisnummer [nummer 1] zijn van toepassing de VOORWAARDEN RECHT OP RENTEPARTICPATIE RP. Over de toepassing van de VOORWAARDEN RECHT OP RENTEPARTICPATIE RP 4 bestond geen wilsovereenstemming.

– Aangeslotene is toerekenbaar tekortgeschoten in haar verplichtingen jegens Consument door hem bij voortduring niet te informeren over de grondslagen van de renteparticipatie en heeft hem daardoor misleid.

Aangeslotene heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:

– Consument dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn klacht omdat hij deze niet binnen de in artikel 25.5 van het Reglement Ombudsman en Geschillencommissie genoemde termijn van drie maanden heeft aangebracht bij de Geschillencommissie.
– Consument heeft te laat geklaagd en heeft daardoor niet tijdig geklaagd in het kader van het bepaalde in artikel 6:89 BW dan wel de klacht is verjaard ingevolge het bepaalde in artikel 3:307 e.v. BW.
– De polis met nummer [nummer] met de daarop van toepassing zijnde voorwaarden RECHT OP RENTEPARTICPATIE RP is komen te vervallen en uit de aan Consument op 25 januari 1988 toegezonden kopie-polis blijkt dat daarop de VOORWAARDEN RECHT OP RENTEPARTICPATIE RP 4 van toepassing zijn. Consument heeft na ontvangst van de polis geen vragen gesteld, klachten geuit of anderszins gereageerd, zodat Aangeslotene er op mocht vertrouwen dat de verzekeringsovereenkomst conform de wensen van Consument was.
– Aangeslotene heeft Consument voldoende informatie verschaft over de wijze waarop de renteparticipatie wordt berekend en uit een door de actuarieel adviseur van de Ombudsman opgestelde rapportage blijkt dat de berekening door Aangeslotene correct is uitgevoerd.
– Van misleiding is geen sprake omdat Consument uit de contractsdocumentatie heeft kunnen en moeten begrijpen dat hij op de einddatum van de verzekering geen uitkering tegemoet kon zien gelijk aan de hoofdsom van de af te lossen hypothecaire geldlening.

5. Beoordeling

5.1. De Commissie heeft zich allereerst gebogen over het niet-ontvankelijkheidsverweer van Aangeslotene. De Commissie heeft in dat verband vastgesteld dat het oordeel van de Ombudsman inzake de klacht met nummer [NUMMER 2] dateert van 23 april 2014. Consument is tegen dit oordeel opgekomen met zijn klachtbrief van (mogelijk abusievelijk) 22 april 2014 die door de Commissie is ontvangen op 23 juli 2014, derhalve binnen de in het Reglement Ombudsman & Geschillencommissie gestelde termijn. Het beroep van Aangeslotene op niet-ontvankelijkheid van de klacht wordt derhalve verworpen.

5.2. Aangeslotene heeft aangevoerd dat Consument zich eerst op 7 mei 2007 tot Aangeslotene heeft gewend met een klacht over zijn verzekering. Consument heeft dit niet bestreden. Nu een afschrift van de polis op 25 januari 1988 in het bezit is gesteld van Consument, is de klacht van Consument verjaard conform het bepaalde in art. 3:307 e.v. BW.

5.3. Hoewel een inhoudelijke behandeling van de klacht derhalve achterwege kan blijven, heeft de Commissie ten overvloede de vraag onderzocht welke VOORWAARDEN RECHT OP RENTEPARTICIPATIE van toepassing zijn en of Consument is misleid over de wijze waarop de renteparticipatie is vastgesteld.

5.4. Ten aanzien van de vraag welke voorwaarden van toepassing zijn overweegt de Commissie dat Aangeslotene geen documenten uit de precontractuele fase heeft overgelegd zoals een offerte dan wel een door Consument ondertekende aanvraag. Op de polis met nummer [nummer 1] is aangetekend dat op de polis van toepassing zijn de VOORWAARDEN RECHT OP RENTEPARTICIPATIE RP4. Een afschrift van de polis met bijbehorende voorwaarden is op 25 januari 1988 in het bezit gesteld van Consument. Consument heeft zich eerst in 2007 met een vraag over de afkoopwaarde van de desbetreffende verzekeringsovereenkomst tot Aangeslotene gewend. Daaraan kon Aangeslotene het vertrouwen ontlenen dat de polis de inhoud van de met Aangeslotene tot stand gebrachte verzekeringsovereenkomst correct weergaf en de Commissie houdt het er aldus voor dat de VOORWAARDEN RECHT OP RENTEPARTICIPATIE RP4 van toepassing zijn.

5.5. Ten aanzien van de vraag of Consument is misleid over de wijze waarop de renteparticipatie is vastgesteld overweegt de Commissie het volgende. De Commissie heeft kennis genomen van de inhoud van de actuariële rapportage zoals die is opgenomen in het oordeel van de Ombudsman met nummer [NUMMER 2]. De actuaris oordeelt daarin dat de uitkering ad € 121.769,- op basis van de bruto-rendementen zoals die waren opgenomen in bijlage 3 zoals die was gevoegd bij de brief van Aangeslotene van
29 november 2013 acceptabel is. Aangeslotene is na de zitting in de gelegenheid gesteld om Consument van een nadere toelichting te voorzien over de wijze waarop de
bruto-rendementen in de desbetreffende tabel tot stand zijn gekomen. Consument heeft met die toelichting geen genoegen genomen.

De Commissie overweegt, alle door Aangeslotene tijdens de loop van de procedure en ten laatste in de brief van 20 mei 2015 verschafte informatie in aanmerking nemende, dat deze voldoende en consistent is en niet in strijd met de van toepassing zijnde verzekeringsvoorwaarden. De informatie is naar het oordeel van de Commissie in ieder geval zodanig dat er onvoldoende reden om te twijfelen aan de juistheid van de door Aangeslotene uitgevoerde berekeningen. De vordering van Consument komt daarom ook bij inhoudelijke beoordeling niet voor toewijzing in aanmerking. Een door Consument nog bij repliek gedaan verzoek om aanhouding van de zaak totdat het Europees Hof heeft beslist, wordt afgewezen omdat de door Consument gestelde argumenten, noch hetgeen overigens is gebleken, reden zouden zijn geweest om deze beslissing af te wachten

6. Beslissing

De Commissie wijst de vordering van Consument af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/wie-behandelt-mijn-klacht-1/4#stappen-plan

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact