Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2018-219 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2018-219
(prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter, mr. B.F. Keulen en mr. J.S.W. Holtrop, leden en mr. drs. D.J. Olthoff, secretaris)

Klacht ontvangen op : 25 juni 2016
Ingediend door : Consument
Tegen : BNP Paribas Cardif Levensverzekeringen N.V., gevestigd te Oosterhout,
verder te noemen Verzekeraar
Datum uitspraak : 3 april 2018
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting

Consument doet in mei 2016 een beroep op zijn betalingsbeschermingsverzekering, gesloten in 2006, in verband met het overlijden van zijn echtgenote september 2008. Verzekeraar weigert tot uitkering over te gaan wegens verjaring. Consument stelt niet op de hoogte te zijn geweest van het bestaan van de verzekering omdat hij en zijn echtgenote destijds niet de benodigde stukken hebben ontvangen. Verzekeraar heeft een door Consument en zijn echtgenote ondertekende verklaring van ontvangst van onder meer het zogeheten “Zeker Lenen Certificaat” overgelegd. De Commissie oordeelt dat Consument er niet in is geslaagd om – zoals hij stelt – aan te tonen dat hij ondanks deze verklaring de daarin genoemde stukken niet heeft ontvangen. Ook de overige door Consument aangevoerde argumenten kunnen een beroep op verjaring door Verzekeraar niet in de weg staan.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

• het door Consument (digitaal) ingediende klachtformulier;
• de klachtbrief met bijlagen van Consument;
• het verweerschrift van Verzekeraar;
• de repliek van Consument;
• de aanvullende stukken van Consument;
• de dupliek van Verzekeraar;
• de verklaring van Consument met diens keuze voor bindend advies.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.

Op 24 maart 2017 heeft een hoorzitting van de enkelvoudige kamer van de Geschillencommissie plaatsgevonden, waarbij partijen zijn verschenen.
Tijdens deze zitting is besloten dat de zaak aangehouden zou worden met het doel dat partijen eerst nog in rechtstreeks overleg met elkaar zullen trachten tot een oplossing te komen.

Partijen hebben de Commissie op 5 april 2017 bericht dat zij niet tot overeenstemming waren gekomen. De Commissie heeft vervolgens besloten dat de klacht door een meervoudige kamer van de Geschillencommissie zal worden beoordeeld.
De Commissie stelt vast dat het niet nodig is de zaak opnieuw mondeling te behandelen. De zaak kan daarom op grond van de stukken worden beslist. De behandeling van de klacht op stukken heeft op 15 november 2017 plaatsgevonden.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Consument en zijn echtgenote hebben via Leenplatform bij Verzekeraar op 11 april 2006 een zogeheten “Cardif Zeker Lenen Certificaat”, een betalingsbeschermingsverzekering, gesloten waarbij de echtgenote van Consument als verzekeringnemer en als eerste verzekerde staat vermeld en Consument als tweede verzekerde. Het verzekerd bedrag bij overlijden is € 50.000,00.
In de bijlage behorende bij de kredietovereenkomst is – voor zover relevant – het volgende bepaald:

“(…)
Overhandigd door vertegenwoordiger Leenplatform en door ondergetekende(en) ontvangen en besproken:
(…)
Cardif Zeker Lenen certificaat
Koopsom: € 25.934,00 meegefinancierd uit de lening
Met de bijbehorende verzekeringsvoorwaarden
(…)
Ondergetekende(n) verkla(a)r(en)t dat de producten die door hem en/of haar zijn geparafeerd zijn besproken en de inhoud en consequenties van de producten naar tevredenheid is uitgelegd. Duidelijk besproken en uitgelegd is dat er voor ondergetekende(n) vrijheid van keuze verzekeraar is.
(…)
Door het plaatsen van de paraaf verkla(a)r(en)t ondergetekende(n) dat de stukken zoals hierboven zijn omgeschreven zijn ontvangen.
(…)”

Deze bijlage is door Consument en zijn echtgenote ondertekend en daarnaast is door hen bij een aantal documenten, waaronder het “Cardif Zeker Lenen Certificaat”, een paraaf gezet.

2.2 Consument heeft op 11 april 2006 de koopsom van € 25.934,00 aan Verzekeraar betaald.

2.3 Op 28 september 2008 is de echtgenote van Consument overleden.

2.4 Met een brief van 9 mei 2016 heeft Consument Verzekeraar gevraagd om over te gaan tot uitkering van het bedrag van € 50.000,00. Consument schrijft in zijn brief onder meer het volgende:
“(…)
Van de bemiddelaar van Leenplatform heb ik nooit een polis ontvangen. Pas onlangs is mij via de kredietverstrekker Dsb duidelijk geworden dat op 11-04-2006 door mij in één keer een bedrag van EUR 25.934 aan premie betaald is. De premie was dus meegefinancierd in het krediet van Dsb. Het krediet van Dsb is reeds ingelost.
Ik verzoek u over te gaan tot uitbetaling van het bedrag van EUR 50.000 waarvoor mijn echtgenote verzekerd was. Buiten mijn schuld om ben ik pas onlangs op de hoogte geraakt van het bestaan van de polis en Cardif is doordat de claim nu pas ingediend wordt ook niet benadeeld. (…)”

2.5 Op 17 mei 2016 heeft Verzekeraar de claim van Consument als volgt schriftelijk afgewezen:

“(…)
Wat hebben wij besloten?
Tot onze spijt moeten wij uw verzoek tot uitkering afwijzen. Wij leggen u uit waarom.

Waarom kunnen wij niet uitkeren?
U heeft de claim gemeld op 2 mei 2016. Uw echtgenote is overleden op 28 september 2008. Voor de dekking overlijden moet de claim uiterlijk binnen vijf jaar na het overlijden gemeld worden. Uw claim is verjaard. Dit is bepaald in artikel 7:985 van het Burgerlijk Wetboek. Daarom kunnen wij helaas niet tot uitkering overgaan.
(…)”

2.6 Bij brief van 22 mei 2016 heeft Consument bezwaar aangetekend tegen de beslissing niet tot uitkering over te gaan.

2.7 Deze klacht vormde voor Verzekeraar geen aanleiding zijn standpunt te herzien. Hij heeft dit Consument in zijn e-mail van 16 juni 2016 laten weten.

3 Vordering, klacht en verweer

Vordering Consument
3.1 Consument verzoekt de Commissie primair het beroep van Verzekeraar op verjaring niet te honoreren en uit te spreken dat zijn claim door Verzekeraar inhoudelijk beoordeeld dient te worden. Consument vordert de wettelijke rente vanaf 1 januari 2009. Subsidiair vordert Consument restitutie van (een deel van) de betaalde koopsom ad € 25.934,00 en vergoeding van de wettelijke rente vanaf 11 april 2006 dan wel 28 september 2008. Daarnaast vordert Consument vergoeding van de proceskosten.

Grondslagen en argumenten daarvoor
• Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag. Verzekeraar is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst.
• De verjaringstermijn is niet eerder aangevangen dan op het moment dat Consument in 2016 bekend is geworden met het bestaan van de verzekeringsovereenkomst c.q. de opeisbaarheid van de uitkering.
• De redelijkheid en billijkheid verzetten zich tegen een beroep op verjaring, omdat Consument niet bekend was of had kunnen zijn met de opeisbaarheid van de uitkering.
• Consument heeft het polisblad noch de kredietovereenkomst van de assurantietussenpersoon Leenplatform ontvangen. Dit blijkt uit de door Consument overgelegde getuigenverklaringen van de heren [namen medewerkers Leenplatform]. Beiden zijn bij Leenplatform werkzaam geweest in de functie van adviseur.
Dat het polisblad en de kredietovereenkomst niet aan Consument zijn verstrekt, volgt eveneens uit de inhoud van een ten dele overgelegd processtuk dat in een procedure tegen Afab, de rechtsopvolger van Leenplatform, is ingediend alsmede uit een uitdraai van een aantal beoordelingen op een digitaal forum die betrekking hebben op de door Leenplatform dan wel Afab geleverde dienstverlening.
• Op Verzekeraar rust een zelfstandige verplichting Consument een polis te verstrekken en aan te tonen dat afgifte van de polis heeft plaatsgevonden. Aan deze verplichting heeft Verzekeraar niet voldaan.
• In een eerdere uitspraak van de Geschillencommissie (2 juni 2014, nr. 2014-219), heeft Verzekeraar bewust geen beroep gedaan op verjaring. Verzekeraar maakt ongeoorloofd onderscheid door zich in zijn verweer tegen de vordering van Consument wel te beroepen

Verweer Verzekeraar
3.3 Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
• Ten onrechte stelt Consument dat hij ten tijde van het aangaan van de verzekering geen polis heeft ontvangen en om die reden niet bekend kon zijn met het bestaan van de verzekering. Uit een door Verzekeraar overgelegde checklist van 11 april 2006 blijkt dat Consument heeft getekend voor de ontvangst van stukken, waaronder de polis.
• Consument heeft aan de hand van deze afzonderlijke akte getekend voor het ontvangen en bespreken van onder meer het Cardif Zeker Lenen Certificaat met de bijbehorende verzekeringsvoorwaarden. Deze akte levert tussen partijen dwingend bewijs op van de inhoud van deze verklaring van Consument. De stelling van Consument, dat hij de op de door hem ondertekende verklaring genoemde stukken niet heeft ontvangen, levert geen tegenbewijs op.
• De door Consument overgelegde getuigenverklaringen betreffen niet specifiek de totstandkoming van de onderhavige verzekering maar die van de volgens de getuigen algemene gang van zaken tijdens de totstandkoming van verzekeringen als die van Consument. Verzekeraar betwist de feitelijke juistheid van het relaas zoals opgenomen in de getuigenverklaringen.
• De omstandigheden in het geschil dat ten grondslag lag aan de uitspraak met nummer
2014-219 betreffen een wezenlijk andere situatie dan de onderhavige.

4 Beoordeling

4.1 De Commissie ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de vordering tot uitkering van de verzekerde som van € 50.000,00 verjaard is. In dit kader zal beoordeeld moeten worden wanneer de verjaringstermijn is aangevangen. De gesloten betalingsbeschermingsverzekering betreft een zogenoemde sommenverzekering. Op grond van artikel 7:985 Burgerlijk Wetboek (BW) verjaart een rechtsvordering tegen de Verzekeraar tot het doen van een uitkering in dat geval door verloop van vijf jaar na de dag waarop die vordering opeisbaar is geworden. Voor het aanvangen van deze verjaringstermijn speelt, anders dan bij toepassing van de verjaringstermijn ex artikel 7:942 lid 1 BW, de bekendheid met de opeisbaarheid geen rol van betekenis. Artikel 7:942 lid 1 BW is niet van toepassing op sommenverzekeringen.
4.2 Slechts het moment van het opeisbaar worden van de vordering is dus bepalend voor het moment van aanvang van de verjaringstermijn. In dit geval is de verjaringstermijn aangevangen op de dag waarop de echtgenote van Consument is overleden.

4.3 Consument stelt zich voorts op het standpunt dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW) een beroep op verjaring door Verzekeraar in de weg staat aangezien hij geen afschrift van het polisblad en de kredietovereenkomst heeft ontvangen. Alvorens de Commissie toe komt aan de vraag of het niet verstrekken van het polisblad en/of de kredietovereenkomst aan verzekeringnemer ertoe kan leiden dat een beroep op de verjaringstermijn ex artikel 7:985 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal allereerst vastgesteld dienen te worden of aangenomen kan worden dat Consument geen afschrift van het polisblad en de kredietovereenkomst heeft ontvangen.

4.4 De Commissie is van oordeel dat de bijlage bij de kredietovereenkomst van 11 april 2006 en de daarin opgenomen handtekeningclausule moet worden beschouwd als een onderhandse akte. Ingevolge artikel 157 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) levert deze onderhandse akte – behoudens de in die bepaling vermelde uitzondering waarvan in deze zaak geen sprake is – ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van deze verklaring. Zie ook HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA:96I0 en HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1394. Op grond van artikel 151 lid 2 Rv staat tegenbewijs open om het dwingende bewijs te ontzenuwen.
Vgl. Geschillencommissie Kifid nummer 2017-495. Niet vereist is echter dat het tegenbewijs wordt geleverd. Verder mag het tegenbewijs volgens artikel 152 lid 1 Rv door alle middelen geleverd worden, tenzij de wet anders bepaalt.

4.5 De Commissie is van oordeel dat Consument onvoldoende bewijs heeft geleverd ter ontzenuwing van de dwingende bewijskracht. De door Consument overgelegde getuigenverklaring schetst – een al dan niet correct – beeld over de algemene gang van zaken. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat in het specifieke geval van Consument geen polisblad dan wel een kredietovereenkomst is verstrekt. Evenmin kan uit de inhoud van het processtuk en de beoordelingen op het forum worden vastgesteld dat Consument niet de documenten heeft ontvangen waarnaar in de bijlage van 11 april 2006 wordt verwezen, voor ontvangst waarvan Consument heeft getekend.

4.6 Het vorenstaande betekent dat aangenomen moet worden dat Consument het polisblad en de kredietovereenkomst van Leenplatform heeft ontvangen en zodoende bekend was met het bestaan van de betalingsbeschermingsverzekering, althans hiermee bekend had behoren te zijn. Aangezien Consument er niet in is geslaagd om in voldoende mate aannemelijk te maken dat het polisblad en de kredietovereenkomst hem niet zijn verstrekt, komt de Commissie niet aan de vraag toe of het niet verstrekken van deze bescheiden een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de weg staat.

4.7 Het beroep van Consument op Geschillencommissie Kifid 2014-219 treft geen doel.
Anders dan in het onderhavige geschil zag deze uitspraak op een situatie waarbij een betaalde koopsom na nietigverklaring van de overeenkomst door Verzekeraar niet aan de klager was gerestitueerd. De verschuldigdheid van de terugbetaling was bij Verzekeraar reeds bekend. Dat Verzekeraar om hem moverende redenen in een eerder geschil heeft afgezien een beroep op verjaring, brengt op zichzelf niet mee dat Verzekeraar ook in de onderhavige kwestie daarvan zou dienen af te zien.

4.8 De conclusie is dat de door Consument aangevoerde argumenten aan het beroep op verjaring door Verzekeraar niet in de weg staan. Dit beroep moet dus worden gehonoreerd. Dit betekent dat de primaire vordering dient te worden afgewezen.

4.9 De subsidiaire vordering tot restitutie van (een deel van) de betaalde koopsom is door Consument niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Afgezien daarvan ziet de Commissie geen gronden voor toewijzing van deze vordering. De wettelijke gronden voor premierestitutie – art. 7:938 BW (premierestitutie indien noch verzekeraar noch de tot uitkering gerechtigde het risico heeft gelopen waartegen werd verzekerd) en 7:939 BW (premierestitutie bij tussentijdse opzegging van de verzekeringsovereenkomst) – zijn niet van toepassing en Consument heeft geen feiten naar voren gebracht op grond waarvan de betaalde koopsom anderszins geheel of ten dele rechtens niet (langer) verschuldigd zou zijn. De subsidiaire vordering komt derhalve evenmin voor toewijzing in aanmerking.

5 Beslissing

5.1 De Commissie wijst de vorderingen af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 46 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact