Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2019-077 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2019-077
(mr. dr. H.O. Kerkmeester, voorzitter, drs. L.B. Lauwaars RA, J.C. Buiter, leden en mr. R.G. de Kruif, secretaris)

Klacht ontvangen op        : 22 november 2017

Ingediend door                : Consument

Tegen                           : F. van Lanschot Bankiers N.V., gevestigd te ‘s-Hertogenbosch, verder te noemen de Bank

Datum uitspraak             : 31 januari 2019

Aard uitspraak                : Bindend advies

                       

Samenvatting

Consument heeft belegd in Index Garantie Contracten (ICG’s) en klaagt over het feit dat de Bank de waardestijging van een ICG heeft aangeduid als (coupon)rente en niet als koerswinst. Vanwege zijn emigratie naar Frankrijk is het verschil relevant geworden. De Commissie stelt de Bank echter in het gelijk. Van belang is de juridische kwalificatie van de samenstelling van het product en wat daarover in het prospectus was opgenomen. De door de Bank gehanteerde kwalificatie sluit ook aan bij de definitie van rente in de Europese Spaarrenterichtlijn. De Commissie heeft de vordering van Consument daarom afgewezen.

  • Procesverloop
     

 

  1. De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:
  • het door Consument (digitaal) ingediende klachtformulier met bijlagen;
  • het verweerschrift van de Bank;
  • de reactie (repliek) van Consument op het verweerschrift van de Bank;
  • de reactie (dupliek) van de Bank. De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.De Commissie stelt vast dat het niet nodig is de zaak mondeling te behandelen. De zaak kan daarom op grond van de stukken worden beslist.

 

 

  • Feiten

     

    1. Consument heeft in 2009 bij de Bank twee zogenoemde Index Garantie Contracten (hierna: IGC’s) aangeschaft, beide met een nominale waarde van € 20.000,-.
    2. Consument is in 2014 naar Frankrijk geëmigreerd.
    3. Het IGC, met de omschrijving DJE100%FEB16, had een looptijd tot 29 februari 2016 en een garantiewaarde van 100%. De eindstand bedroeg € 33.000,-.
    4. Het IGC, met de omschrijving DJE100%JUN16, had een looptijd tot 30 juni 2016 en ook een garantiewaarde van 100%. De eindstand bedroeg € 27.201,20.
    5. In het door de Bank verstrekte financieel jaaroverzicht over 2016 was onder andere het volgende opgenomen:

      BeleggingenIGC DJE100%FEB16 100            NL        20.000              163,4                32.680,00          (…)Waarde effectendepot (…)                                                               60.130,00         (…)Als u een lossing boven pari hebt ontvangen, dan nemen wij het bedrag boven pari op als obligatierente. Deze transacties duiden we aan met een *.CouponrenteIGC DJE100%FEB16 100            NL        02-03-2016        20.000              13.000,00*         (…)Totaal couponrente                                                                          20.201,20

    6. (…)”
    7. IGC DJE100%JUN16 100            NL        04-07-2016        20.000              7.201,20*          (…)
    8. Naam                                      Land     Datum               Aantal               Bruto                (…)
    9. IGC DJE100%JUN16 100            NL        20.000              137,25              27.450,00          (…)
    10. Obligaties                                Land     Aantal               Koers    Waarde op 01-01-2016   (…)
    11. “(…)
    12. Na ontvangst van de jaaropgave over 2016 heeft Consument zich tot de Bank gewend met het verzoek om de uitkeringen van de IGC’s, anders dan de garantiewaarde, niet als rente maar als koerswinst op te nemen op het jaaroverzicht. Dit vanwege de omstandigheid dat (coupon)rente in Frankrijk zwaarder wordt belast dan koerswinst. De Bank heeft dit verzoek afgewezen, wat uiteindelijk heeft geleid tot onderhavige klacht.
    13.  

 

    1. De Commissie gaat uit van de volgende feiten.
  • Vordering, klacht en verweerVordering Consument
    1. Consument vordert dat de Bank de waardestijging van de IGC boven de garantiewaarde, kwalificeert als koerswinst en niet als (coupon)rente. Consument heeft anders mogelijk een financieel nadeel van € 8.555,30.Grondslagen en argumenten daarvoor
    2. Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag. De Bank heeft onrechtmatig gehandeld door het IGC aan te merken als obligatie en/of de waardestijging van de IGC boven de garantiewaarde aan te merken als (coupon)rente. Consument voert hiertoe de volgende argumenten aan:

 

  • Een waardestijging van een belegging (op einddatum of bij tussentijdse beëindiging) boven de nominale waarde dient niet als (coupon)rente te worden beschouwd, maar als koerswinst.
  • Een IGC lijkt meer op een aandeel dan op een obligatie. De uitkering bij een IGC is immers gebaseerd op de hoogte van een index (al dan niet gevolgd via een optiecomponent) en niet op een vaste of variabele rente (Euribor of Libor).
  • De uitkering bestaat dus in feite uit het resultaat van de index (via de optiecomponent) en de garantiewaarde. Door deze constructie dient de coupon niet als rente te worden geclassificeerd, maar als koersresultaat behaald door de optiecomponent op de index.
  • In de basisprospectus inzake Index Garantie Contracten van de Bank wordt nergens aangegeven of een IGC als een obligatie of als aandeel moet worden beschouwd. Voor Consument als koper was het koerspotentieel gebaseerd op de (op dat moment lage) index gecombineerd met de garantiewaarde.
  • Sinds zijn emigratie is Consument belastingplichtig in Frankrijk. Omdat in Frankrijk een andere fiscale behandeling geldt voor ontvangen rente (nadeliger dan koerswinst op aandelen) dan in Nederland (waar het onderscheid niet van belang is), lijdt Consument mogelijk schade als de Bank de waardevermeerdering van de IGC niet als koerswinst aanduidt, maar haar standpunt handhaaft dat sprake zou zijn van rente. Verweer van de Bank
    1. De Bank heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
  • Het kwalificeren van de waardevermeerdering van een IGC als rente sluit aan bij de Europese Spaarrenterichtlijn. Daarnaast volgt deze kwalificatie ook uit het prospectus.
  • De Bank verwijst naar pagina 11 van het (basis)prospectus waar onder ‘productomschrijving’ het volgende is opgenomen:
  • “Van Lanschot Index Garantie Contracten zijn vorderingen op naam van de Bank. Van Lanschot Index Garantie Contracten zijn niet achtergestelde schulden van de Bank en zijn onderling alsmede met andere niet achtergestelde schulden van de Bank gelijk in rang, met uitzondering van die schulden van de Bank die op basis van een wettelijke voorziening voorrang genieten. De Einduitkering is afhankelijk van de stand van de Onderliggende Waarde, bijvoorbeeld een index. De waardeontwikkeling gedurende de looptijd is afhankelijk van de actuele waarde van de garantie en de optiecomponent op basis waarvan de Houder participeert in de ontwikkeling van de onderliggende waarde.”
  • De Bank verwijst tevens naar artikel 6 lid 1 sub a van de Europese Spaarrenterichtlijn, waar staat:
  • “I. Voor toepassing van deze richtlijn wordt onder “rentebetaling” verstaan:
  • rente, uitbetaald of bijgeschreven op een rekening, die is terug te voeren op enigerlei schuldvordering, al dan niet gedekt door hypotheek of voorzien van een winstdelingsclausule, en met name de opbrengsten van overheidspapieren obligatieleningen, inclusief daaraan gehechte premies en prijzen; boete voor te late betaling wordt niet als rentebetaling aangemerkt;
  • rente die is aangegroeid of gekapitaliseerd op het moment van de verkoop, terugbetaling of aflossing van de onder a) bedoelde schuldvorderingen;”

 

  • De Bank verwijst ook naar de “Handleiding Gegevensaanlevering van bank- en beleggingsproducten van de Belastingdienst 2016”, waar in paragraaf 4.2, pagina 16 en 17, de rentevormen worden aangegeven die banken in ieder geval moeten aanleveren aan de Belastingdienst. Daarin staat onder andere dat “opbrengsten als gevolg van indexclausules” als rente in fiscale zin moeten worden beschouwd.
  • Volgens de Bank is een ICG een zogenaamde gestructureerde obligatie met kapitaalgarantie. Dat volgt ook uit de productbrochure “Van Lanschot Index Garantie Contract”, waarin de opbouw van het ICG is beschreven. Een ICG bestaat, naast kosten, uit de componenten ‘garantie’ en ‘optie’. De garantiewaarde wordt bereikt door een deel van de inleg voor de duur van het contract op een deposito te plaatsen. De rentevergoeding wordt toegevoegd aan de waarde van het deposito. Hierdoor groeit de waarde van het deposito geleidelijk aan tot de afgesproken garantiewaarde op de einddatum. Een (ander) deel van de inleg wordt gebruikt voor beleggen in opties op de onderliggende waarde. Met deze opties deelt de houder van de IGC in de stijging of daling van de onderliggende waarde.
  • De Bank koppelt het rendement dat de klant kan behalen aan een optie. Een deel van het rendement bestaat dus uit koerswinst op de optie. Echter, de kerneigenschap van een IGC is vanuit de klant bezien, een geldvordering op de Bank waarbij de waardeontwikkeling en einduitkering (inclusief) rendement afhankelijk zijn van de stand van de onderliggende waarde, bijvoorbeeld een index.
    De waardestijging wordt aangemerkt en uitgekeerd als rente omdat het gaat om een (geld)vordering van Consument op de Bank.
  • In de fiscale jurisprudentie is uitgemaakt dat de vergoeding ter zake van een ter beschikking gestelde hoofdsom (vordering) wordt genoten als rente.
  • In zowel de brochure als de prospectus wordt gewaarschuwd voor het feit dat de fiscale gevolgen van een belegging in een IGC afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie.
  • Op pagina 9 van de brochure wordt ook nog gesproken over rente en de Europese Spaarrenterichtlijn. Daar staat onder andere het volgende:
  • “Vanwege de Europese spaarrenterichtlijn zal de uitbetalende financiële instelling (in de regel uw bank) informatie over rente-inkomsten genoten door een particuliere belegger die in een andere EU-lidstaat woont, moeten doorgeven aan de Nederlandse fiscus. De fiscus geeft deze informatie vervolgens door aan de fiscale autoriteiten van de EU-lidstaat waar de belegger woont. Ofschoon er op Van Lanschot Index Garantie Contracten tussentijds geen rente wordt uitgekeerd, kwalificeert een mogelijke toename boven de nominale waarde van de belegging op einddatum, bij tussentijdse verkoop, in het kader van de Europese spaarrenterichtlijn als rente.(…)”
  • De Bank is van mening dat Consument voldoende is geïnformeerd over de eigenschappen van een IGC. Daarnaast wordt in de ter beschikking gestelde productinformatie uitdrukkelijk gewezen op de risico’s voor de eventuele fiscale gevolgen van een IGC. Bovendien heeft Consument niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden.
  •  
  • Beoordeling
    1. Bij de klacht van Consument gaat het om de vraag of de (uitgekeerde) waardevermeerdering van de IGC’s als rente of als koerswinst moet worden gekwalificeerd. Consument is van mening dat sprake is van ‘koerswinst’ en de Bank stelt dat van ‘rente’ moet worden gesproken. Het verschil in kwalificering is voor Consument van belang, omdat in Frankrijk – waar hij vanaf 2014 woonachtig en belastingplichtig is – genoten rente en koerswinsten fiscaal anders worden behandeld. Per saldo zou Consument in Frankrijk meer belasting moeten betalen als de waardevermeerdering van een IGC aangemerkt wordt als rente in plaats van als koerswinst. De Commissie ziet echter geen aanleiding om aan te nemen dat de Bank een onjuiste classificering heeft toepast. De Commissie heeft daartoe het volgende overwogen.
    2. De Commissie begrijpt uit hetgeen Consument heeft aangevoerd dat hij zich voor zijn emigratie heeft verdiept in de fiscale situatie in Frankrijk. Consument heeft immers aangevoerd dat hij voor zijn emigratie zijn beleggingsportefeuille heeft gescand en waar nodig heeft aangepast in verband met de nieuwe fiscale situatie in Frankrijk.
      Daarbij heeft hij eind 2013 contact gehad met een medewerker van de Bank en gesproken over de IGC’s. Omdat tussentijdse verkoop aardig wat kosten met zich mee zou brengen en Consument elke winst als ‘koerswinst’ en niet als ‘rente’ zag, heeft hij toen besloten de IGC’s niet te verkopen. Dat in het contact met de Bank door de Bank zou zijn bevestigd dat de waardevermeerdering als ‘koerswinst’ en niet als ‘rente’ zou worden aangemerkt, is gesteld noch gebleken.
    3. Hoewel een waardevermeerdering van een IGC afhankelijk is van het (koers)verloop van de onderliggende waarde, in dit geval de ‘Eurostoxx 50 Index’, betekent het niet dat een IGC daarmee ook een ‘aandeel’ is waarbij sprake kan zijn van koerswinst. Van belang is de juridische kwalificatie van de samenstelling van het product. In dat kader stelt de Bank terecht dat uit de prospectus valt op te maken dat IGC’s vorderingen op naam (van Consument) op de Bank zijn waarbij de waardeontwikkeling en de uiteindelijke uitkering afhankelijk is van de (begin- en eind)stand van de onderliggende waarde, zoals bijvoorbeeld een index. De uitkering op einddatum bestaat dus uit de (vooraf bekende) garantiewaarde en een mogelijk extra uitkering afhankelijk van de ontwikkeling van de onderliggende waarde. Daarnaast worden er kosten in rekening gebracht.
    4. Het feit dat de Bank door middel van een brochure en de prospectus duidelijk maakt hoe het product (IGC) werkt, is (ook) in het belang van de klant die immers de werking met daarbij de voor- en nadelen wenst af te wegen voordat hij een dergelijk financieel product aanschaft. Uit de brochure volgt dat een IGC bestaat uit drie componenten, te weten een garantie-, een optie- en een kostencomponent. Bij de optie-component heeft de Bank toegelicht op welke wijze, al dan niet, van het koersverloop van de onderliggende waarde kan worden geprofiteerd. De houder van een IGC participeert in de ontwikkeling van de onderliggende waarde doordat de Bank met een deel van de inleg belegt in opties op de onderliggende waarde. Hoewel Consument afhankelijk is van het daarbij door de Bank gevoerde aan- en verkoopbeleid van de betreffende opties, wordt er nergens van gesproken dat deze opties op naam (en voor rekening en risico) van Consument worden aangeschaft. De Bank geldt als houder van de opties. Vanuit haar perspectief is dan ook sprake van koerswinst (of -verlies) op de opties. Vanuit de positie van Consument kan daarentegen alleen gesproken worden van een (naast de garantiewaarde) onzekere, niet gegarandeerde, vergoeding voor het beschikbaar stellen van een bepaald bedrag. Dit is niet vergelijkbaar met bijvoorbeeld de situatie dat een klant via zijn beleggersrekening zelf overgaat tot het aanschaffen of handelen in bepaalde opties waarbij sprake is van koerswinst (of verlies) direct voor rekening en risico van de klant. In dat geval zal pas sprake zijn van een vordering (op de Bank) indien de (door de Bank uitgegeven) opties daadwerkelijk worden uitgeoefend.
    5. De kwalificatie van de waardevermeerdering van de IGC als ‘rente’ sluit, gelet op het voorgaande, dan ook aan bij de definitie van rente in de Europese Spaarrenterichtlijn, te weten ‘een uitbetaling die is terug te voeren op enigerlei schuldvordering’.
    6. De Commissie ziet bovendien geen reden op grond waarvan de Bank Consument reeds bij aanschaf van de IGC’s in 2009 had moeten voorlichten over mogelijke fiscale gevolgen van een ICG bij een eventuele emigratie. De Bank kon volstaan met een algemene toelichting met betrekking tot de Nederlandse belastingwetgeving, zoals opgenomen in het prospectus. Voorts is de Commissie, nog los van de vraag of de Bank überhaupt een waarschuwingsplicht heeft voor de mogelijk (persoonlijke) fiscale consequenties bij emigratie, van oordeel dat – zoals uit hetgeen hierboven onder 4.2 is opgenomen blijkt – Consument zich in de fiscale situatie van Frankrijk heeft verdiept en daarvan op de hoogte was, maar (op basis van kostenoverwegingen) er desondanks voor heeft gekozen om de IGC’s op dat moment niet te verkopen. Dat Consument daarbij in de veronderstelling was dat sprake zou zijn van koerswinst omdat de IGC’s een index volgden, acht de Commissie op zich niet geheel onbegrijpelijk, maar dat kan niet de Bank worden aangerekend. Dat Consument de Bank om (fiscaal) advies heeft gevraagd – en vervolgens een onjuist advies heeft gekregen – is ook niet gesteld of gebleken. De Commissie acht het bovendien voorstelbaar dat Consument reeds in 2014 op de hoogte was, of op de hoogte had kunnen zijn, van het gegeven dat de Bank de IGC’s als obligaties had gekwalificeerd en een eventuele extra uitkering als (coupon)rente zou worden aangemerkt. Dat blijkt waarschijnlijk – want in deze procedure niet overgelegd – uit de financiële jaaroverzichten die de Bank al vóór 2014 heeft verstrekt.
    7. De slotsom is dat de Commissie geen grond ziet op basis waarvan de Bank gehouden zou zijn de classificering van (de waardevermeerdering van) de IGC’s te wijzigen, zodat de vordering van Consument moet worden afgewezen.

 

  • BeslissingDe Commissie wijst de vordering af.In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/in-beroep-gaan-bij-kifid.U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement. 

 

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact