Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2019-083

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2019-083
(mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. S.W.A. Kelterman en mr. J.S.W. Holtrop, leden en  mr. dr. D.B. Holthinrichs, secretaris)

Klacht ontvangen op        : 31 januari 2018

Ingediend door               : Consument

Tegen                            : DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen Verzekeraar

Datum uitspraak             : 14 februari 2019

Aard uitspraak                : Niet-bindend

 

Samenvatting

 

Rechtsbijstandverzekering. Consument heeft een verzoek om rechtsbijstand gedaan voor een hoger beroepsprocedure (vordering tot transitievergoeding) met betrekking tot een geschil met zijn werkgever. Hij werd ontslagen na een gestelde bedreiging van het zullen doden van medewerkers van Werkgever en van het bedrijf waar hij was gedetacheerd. Consument betwist de bedreiging maar is door de kantonrechter in het ongelijk gesteld, omdat hij geen alternatief scenario heeft geschetst en niet is verschenen op de zitting. Verzekeraar heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat dekking ontbreekt omdat Consument het geschil bewust heeft veroorzaakt althans niet heeft voorkomen. De Commissie volgt Verzekeraar in dit standpunt nu Consument ook in deze procedure geen openheid van zaken heeft gegeven. De vordering wordt afgewezen.

 

  • Procesverloop

 

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken met bijlagen:

 

  • het door Consument ingediende klachtformulier;
  • het verweerschrift van Verzekeraar.

 

De Commissie stelt vast dat Consument heeft gekozen voor een niet-bindend advies. De uitspraak is daardoor niet-bindend.

 

Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 5 november 2018 en zijn aldaar verschenen.

 

 

 

 

 

 

 

  • Feiten

 

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

 

    1. Consument heeft een rechtsbijstandverzekering (hierna: Verzekering) bij Verzekeraar. Daarop zijn onder meer van toepassing de algemene verzekeringsvoorwaarden ‘Model 01-2016’ (hierna Verzekeringsvoorwaarden), waarin – voor zover relevant – is bepaald:

 

5. Wat verwacht DAS van u?

Hebt u juridische hulp nodig en wilt u gebruikmaken van uw verzekering? Dan verwachten wij dat u het conflict bij ons meldt. Doe dat zo snel mogelijk nadat het conflict is ontstaan, want dan kunnen wij u zo goed mogelijk helpen. Ook kunnen wij dan voorkomen dat het conflict groter of ingewikkelder wordt.

 

Ook moet u DAS in de gelegenheid stellen om te proberen het conflict met uw tegenpartij in

onderling overleg en zonder een juridische procedure op te lossen en tot een regeling te komen. U moet daaraan in redelijkheid uw medewerking verlenen.

(…)

Meldt u uw conflict niet direct na het ontstaan bij DAS? Of werkt u niet voldoende mee? Dan

mag DAS de juridische hulp stopzetten.

(…)

 

  1. In welke gevallen krijgt u geen juridische hulp van DAS?

In de volgende gevallen krijgt u geen (verdere) juridische hulp van DAS:

(…)

  1. Als u in strijd met de polisvoorwaarden handelt en DAS daardoor benadeelt. Onder meer in artikel 5 leest u wat wij van u verwachten. Een voorbeeld: DAS geeft u geen juridische hulp, als u uw verzoek om juridische hulp te laat indient en DAS u alleen kan helpen door meer kosten te maken of meer inspanningen te doen.

(…)

f . Als u het conflict bewust hebt veroorzaakt om er een voordeel mee te halen (dat u anders niet zou hebben gehad). Bijvoorbeeld als u iets deed, terwijl u had moeten begrijpen dat hierdoor zeker een conflict zou ontstaan.

  1. Als u het conflict had kunnen voorkomen, maar dat bewust niet hebt gedaan. Terwijl u dat wel kon zonder dat dit voor u nadeel zou opleveren.

 

    1. Consument was in dienst bij een werkgever (hierna: Werkgever). Op 27 juli 2017 is hij op staande voet ontslagen door Werkgever.

 

    1. Consument heeft in het ontslag op staande voet berust. Bij verzoekschrift van
      14 augustus 2017 heeft Consument, met bijstand van een advocaat, bij de Rechtbank Limburg van Werkgever onder meer een transitievergoeding verzocht met als reden dat hij niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nalatig is geweest.
      De kantonrechter heeft de verzoeken van Consument bij beschikking van
      17 oktober 2017 afgewezen en daarbij onder meer overwogen:

 

2 De feiten

2.1. [Consument] is sedert 1 februari 2016 in dienst van [Werkgever] krachtens een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (…)

2.2. [Werkgever] heeft [Consument] met ingang van 1 februari 2016 gedetacheerd bij – zijn voormalig werkgever – [hierna: Inlener], waar [Consument] voorafgaand aan de dienstbetrekking van [Werkgever] in dienst is geweest.

2.3.Naar aanleiding van een voorval op 27 juli 2017 heeft [Werkgever] diezelfde dag [Consument], na hem daarover gesproken te hebben, op staande voet ontslagen. Bij brief van 28 juli 2017 heeft (de gemachtigde van) [Werkgever] het aan [Consument] gegeven ontslag op staande voet bevestigd. In de brief staat, voor zover van belang (bijlage 2 verzoekschrift):

 

“(…) Gisteren heeft cliënte u meegedeeld dat u op staande voet bent ontslagen. Dit wordt vandaag bij deze brief aan u bevestigd. De reden van het ontslag op staande voet is dat u ernstige bedreigingen heeft geuit naar uw voormalig werkgever en inlener en klant van uw werkgeefster, alsmede richting cliënte en medewerkers van cliënte. Mensen voelen zich daardoor ernstig bedreigd en hebben ter zake ook de Politie ingeschakeld en aangifte gedaan bij Justitie.

Het voorval betreft uw handelwijze in de nacht van 26 op 27 juli, waarin u voor de poort bij [Inlener] ernstige dreigementen heeft geuit en ook heeft aangegeven terug te zullen komen met een wapen en mensen bij cliënte en [Inlener] te doden. Deze handelwijze kan door cliënte niet worden geaccepteerd en daarom is er nu ontslag op staande voet verleend. (…) U was ook gewaarschuwd. In een gesprek dat gehouden is op 13 juli is u door [functionaris 1] en [functionaris 2] absoluut verboden om nog enig contact te zoeken met uw voormalig werkgever [Inlener]. U viel [Inlener] immers al geruime tijd lastig, zowel door telefonisch te stalken, alsook in woord en gedrag. U was ter zake dan ook gewaarschuwd. (…)”

(…)

  1. De beoordeling

(…)

4.7. [Consument] betwist enige bedreiging van welke aard dan ook te hebben geuit. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [Consument] zijn betwisting onvoldoende gemotiveerd. [Consument] heeft volstaan met een enkele blote ontkenning terwijl het op zijn weg had gelegen om op zijn minst toe te lichten hoe zijn ontkenning valt te rijmen met het aan hem verleende ontslag op staande voet en de inhoud van de door [Werkgever] in het geding gebrachte verklaring van de heer [functionaris a ], werkzaam bij [Inlener] ((…) de e-mail van 27 juli 2017 om 3.10 uur aan zijn leidinggevende (…)).

[Consument] heeft – om hem moverende redenen – er voor gekozen om zelf niet ter zitting te verschijnen, terwijl hij juist degene is die zijn handelen op de bewuste dag en de periode daaraan voorafgaand ter zitting had kunnen verduidelijken en van een nadere toelichting had kunnen voorzien. Zijn gemachtigde is immers destijds niet daarbij aanwezig geweest.

 

 

 

4.8. De heer [naam] verklaart:

“(…) Afgelopen nacht werden we rond het tijdstip van 2.10 uur “vereerd ” met het bezoek van [Consument].

Hij belde, in beschonken toestand, aan (…)

Hij was verbaal dreigend agressief en uitte zijn ongenoegen naar [Inlener] en [Werkgever] toe. Hij gaf aan morgen (vandaag dus) terug te komen met een wapen (letterlijk 8 mm pistool) (…)

 

4.9. De verklaring is voldoende feitelijk. Daarin is de geuite bedreiging concreet

omschreven. Voorts is van de zijde van [Werkgever] gesteld dat [Consument] eerder – tijdens een op 29 juni 2017 plaatsgevonden gesprek – te kennen heeft gegeven niet voor zichzelf te kunnen instaan (bijlage 4 verweerschrift). De kantonrechter oordeelt dat bedreiging op zichzelf reeds een dringende reden is en dat dergelijk gedrag kan worden gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar handelen. Nu door [Consument] onvoldoende is weerlegd dat hij dergelijke bedreigingen heeft geuit, moet er van uit worden gegaan dat hij zich ernstig verwijtbaar heeft gedragen. [Werkgever] als werkgever hoeft dergelijk gedrag niet te tolereren. Voorts was [Consument] een gewaarschuwd man. [Consument] is reeds eerder aangesproken op zijn gedrag en aan hem is door de heer [naam] meegedeeld dat het niet langer toegestaan was om contact op te nemen met [Inlener]. [Consument] heeft dit advies niet opgevolgd, maar heeft [Inlener] opnieuw opgezocht en aldaar bedreigingen geuit. Door [Consument] zijn geen omstandigheden gesteld en ook anderszins zijn die niet gebleken die zijn handelen c.q. gedrag in een ander daglicht plaatsen. Evenmin zijn door [Consument] omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat in dit concrete geval het ontslag niet gerechtvaardigd zou zijn. Ook anderszins is daarvan niet gebleken. (…)”

 

    1. Consument heeft Verzekeraar verzocht hem in het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter bij te staan. Verzekeraar heeft dit verzoek bij brief van
      20 november 2017 afgewezen.

 

    1. Consument heeft daarna zelf een advocaat ingeschakeld en bekostigd om het hoger beroep in te stellen. De hoger beroepsprocedure is tussentijds tot een einde gekomen door middel van een tussen Consument en Werkgever getroffen schikking waarbij zij overeenkwamen over en weer niets meer van elkaar te zullen vorderen.

 

  • Vordering, klacht en verweer

 

 

Vordering Consument

    1. Consument vordert dat Verzekeraar dekking verleent voor de advocaatkosten in hoger beroep.

 

Grondslagen en argumenten daarvoor

    1. Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag.

      Verzekeraar is op grond van de Verzekering gehouden om de advocaatkosten met betrekking tot het hoger beroep te betalen. Consument voert hiertoe de volgende argumenten aan.

  • Verzekeraar beroept zich ten onrechte op de dekkingsuitsluitingen van artikel 6 sub f. en g. van de Verzekeringsvoorwaarden. Consument heeft het conflict niet bewust veroorzaakt om er een voordeel mee te halen. Ook is geen sprake van het bewust niet voorkomen van een conflict terwijl Consument dat wel had gekund. De rechtbank heeft dan wel vastgesteld dat Consument Werkgever en Inlener heeft bedreigd, maar indien het in de procedure tot een bewijsopdracht was gekomen dan was de bedreiging niet komen vast te staan. De beschikking van de rechtbank steunt in grote mate op de afwezigheid van Consument ter zitting. Dat was echter overmacht, omdat Consument vastzat in het openbaar vervoer. In hoger beroep had dit verzuim kunnen worden hersteld en was het op bewijslevering aangekomen. Werkgever had daarbij de bewijslast gehad. Consument betwist ten slotte dat hij een eerder door Werkgever gegeven waarschuwing heeft genegeerd door contact op te nemen met Inlener. Een dergelijke waarschuwing was niet gegeven, althans had niets te maken met het ontslag op staande voet.
  • Daarnaast komt Verzekeraar ook geen beroep toe op artikel 5 en 6 sub d. van de Verzekeringsvoorwaarden. Consument heeft het geschil niet te laat gemeld, zoals Verzekeraar stelt. Hij mag ervoor kiezen om de kosten van de procedure bij de Rechtbank niet te vorderen. Daarvan heeft Verzekeraar enkel een voordeel. Voor bijstand in hoger beroep heeft Consument zich tijdig bij Verzekeraar gemeld.

 

Verweer Verzekeraar

    1. Verzekeraar heeft de stellingen van Consument gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig zal de Commissie bij de beoordeling daarop ingaan.

 

  • Beoordeling

 

 

    1. De Commissie ziet zich in deze procedure voor de vraag gesteld of dekking bestaat voor het conflict van Consument met Werkgever.

 

    1. Verzekeraar beroept zich op de dekkingsuitsluitingen van artikel 6 f. en g. van de Verzekeringsvoorwaarden. Daartoe stelt hij dat Consument het conflict bewust heeft veroorzaakt althans niet heeft voorkomen terwijl hij dat wel kon. Verzekeraar baseert zich daarbij op de door de kantonrechter in diens beschikking van 17 oktober 2017 vastgestelde feiten en hetgeen onder beoordeling is overwogen. Consument betwist de bedreigingen naar Werkgever en Inlener te hebben geuit.

 

    1. De Commissie stelt vast dat de gestelde bedreiging blijkt uit de door Werkgever in de procedure bij de kantonrechter gestelde feiten, zoals die worden ondersteund door de verklaring van functionaris a van Inlener in de e-mail van 27 juli 2017, te 03.10 uur. De Commissie is – net als de kantonrechter – van oordeel dat Consument daartegenover niet kan volstaan met een enkele blote betwisting dat een bedreiging heeft plaatsgevonden en de niet nader toegelichte stelling dat de eerdere waarschuwing niets te maken zou hebben met het ontslag op staande voet. In plaats daarvan had het op de weg van Consument gelegen om concreet uiteen te zetten wat er dan wel is voorgevallen in de nacht van 26 op 27 juli 2017 en waar de eerdere waarschuwing betrekking op had. Consument heeft dat in het geheel niet gedaan. Nadere bewijsstukken zijn niet aangeleverd en ter zitting van de Geschillencommissie is Consument niet verschenen om een toelichting te geven.

 

    1. Bij deze stand van zaken is de Commissie van oordeel dat als onvoldoende gemotiveerd betwist moet worden aangenomen dat Consument, in weerwil van een uitdrukkelijk verbod van Werkgever, in de nacht van 26 op 27 juli 2017 de confrontatie met Inlener heeft gezocht en daarbij bedreigingen aan het adres van zowel Inlener als Werkgever heeft geuit, met het voorzienbare gevolg dat Consument door Werkgever op staande voet werd ontslagen. Aldus heeft Consument, ondanks dat hij dit zonder enig nadeel had kunnen doen, bewust er voor gekozen het conflict niet te voorkomen, als bedoeld in artikel 6 g. van de Verzekeringsvoorwaarden en bestaat reeds om die reden geen dekking onder de Verzekering.

 

  • Beslissing

 

 

De Commissie wijst de vordering af.

 

De uitspraak heeft de vorm van een niet-bindend advies. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. U kunt de zaak nog wel aan de rechter voorleggen.

 

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact