Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2019-549 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2019-549
(mr. R.J. Paris, voorzitter, prof. mr. drs. M.L. Hendrikse, mr. A.M.T. Wigger, leden en mr. R.E. van Lambalgen, secretaris)

Klacht ontvangen op : 4 juni 2018
Ingediend door : Consument
Tegen : ING Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, verder te noemen de Bank
Datum uitspraak : 1 augustus 2019
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting

Bij het berekenen van de boeterente is de Bank uitgegaan van een contractrente met een LTV-opslag van 0,1% en een vergelijkingsrente met een LTV-opslag van 0,0%. Dit omdat de betreffende LTV-klasse ten tijde van het vastzetten van de contractrente een opslag van 0,1% kende, maar ten tijde van de tussentijdse renteherziening een opslag van 0,0%. Uitgangspunt 3 van de Leidraad vereist een consistente toepassing van de LTV. De vraag is echter of dit ziet op de LTV-klasse of op (de hoogte van) de LTV-opslag. De Commissie oordeelt dat niet de hoogte van de LTV-opslag, maar de klasse waarop de hoogte van de LTV-opslag is gebaseerd (met andere woorden: de LTV-klasse) op consistente wijze moet worden toegepast. Dit betekent dat de hoogte van de LTV-opslag in de contractrente niet gelijk hoeft te zijn aan de hoogte van de LTV-opslag in de vergelijkingsrente.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

· het door Consument ingediende klachtformulier met bijlagen,
· het verweerschrift van de Bank,
· de repliek van Consument en
· de dupliek van de Bank.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.

Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 4 juli 2019 en zijn aldaar verschenen.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 In 2006 heeft Consument een hypothecaire geldlening afgesloten bij de Bank. Deze geldlening bestaat uit twee leningdelen: een “aflossingsvrije lening” en een “levenlening”.

2.2 Aan de levenlening is een levensverzekering gekoppeld: een ING Bank Flexibel Groei Verzekering. Oorspronkelijk was dit een bij Postbank Levensverzekering N.V. aan-gehouden levensverzekering; inmiddels wordt deze levensverzekering aangehouden bij Nationale-Nederlanden (NN). De rechten uit de levensverzekering zijn aan de Bank verpand. De inleg op de levensverzekering wordt voor 100% geïnvesteerd in het Hypotheek Rente Fonds.

2.3 De Bank hanteert een rentebeleid waarbij de hypotheekrente een risico-opslag kan bevatten. Deze risico-opslag hangt af van de risicoklasse (ook wel aangeduid als tariefklasse of LTV-klasse) waar de geldlening in valt. In welke risicoklasse een geldlening valt, wordt bepaald op basis van de schuld-marktwaardeverhouding (ook wel aangeduid als Loan-to-Value (LTV)). Dit is de verhouding van de hypotheekschuld ten opzichte van de (markt)waarde van de woning.

2.4 Op basis van de Loan-to-Value (LTV) viel de hypothecaire geldlening in de tariefklasse “Top”. Het door Consument te betalen rentetarief bevatte daarom een LTV-opslag.

2.5 In 2011 heeft de Bank de opslagenstructuur gewijzigd. De risicoklassen werden niet langer gebaseerd op de executiewaarde (EW), maar op de marktwaarde (MW). De Bank heeft de opslagenstructuur als volgt gewijzigd:

2.6 In 2016 heeft Consument in een telefoongesprek met de Bank aangegeven de rente voor de aflossingsvrije lening tussentijds te willen aanpassen. Op 18 augustus 2016 heeft de Bank Consument per brief een bevestiging gestuurd van de (telefonisch overeengekomen) tussentijdse renteaanpassing per 1 september 2016. Voor de tussentijdse renteaanpassing heeft de Bank een vergoeding (“boeterente”) van € 41.703,32 in rekening gebracht.

2.7 In de brief van 18 augustus 2016 staat onder meer het volgende vermeld:

2.8 Naar aanleiding van de door de AFM gepubliceerde Leidraad Vergoeding voor vervroegde aflossing van de hypotheek van 20 maart 2017 (hierna: de Leidraad) heeft de Bank de boeterente herberekend. In de oorspronkelijke berekening was voor de vergelijkingsrente gerekend met de LTV-klasse ≤85% (de LTV van de geldlening was op het moment van de tussentijdse renteaanpassing 80,009%). Aangezien de contractrente gebaseerd was op
de tariefklasse “Top” en deze klasse overeenkomt met de LTV-klasse ≤80%, is bij de herberekening zowel voor de contractrente als de vergelijkingsrente een LTV-klasse van ≤80% gehanteerd. Omdat de vergelijkingsrente daardoor lager uitviel dan in de oorspronkelijke berekening zou de boeterente hoger uitvallen. De Bank heeft de hogere boeterente niet in rekening gebracht. De aan Consument in rekening gebrachte boete-rente bleef dus € 41.703,32.

2.9 Aangezien de LTV 80,009% bedroeg, heeft Consument op 22 augustus 2016 een klein bedrag afgelost (€ 117,32) op de aflossingsvrije lening om zo in een lagere LTV-klasse terecht te komen (om zodoende een lagere hypotheekrente te hoeven betalen). Op
24 augustus 2016 is het verzoek tot aanpassing van de schuld-marktwaardeverhouding door de Bank verwerkt.

2.10 In de onderhavige procedure heeft de Bank het volgende overzicht overgelegd:

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering Consument (I)
3.1 Allereerst vordert Consument dat de Bank veroordeeld wordt tot terugbetaling van de te veel in rekening gebrachte boeterente. Deze vordering berust op twee grondslagen:

3.2 In de eerste plaats zou de Bank de boeterente onjuist berekend hebben. Consument voert hiertoe de volgende argumenten aan:
• Ten eerste heeft de Bank de LTV-opslag niet consistent toegepast.
• Ten tweede heeft de Bank ten onrechte geen rekening gehouden met de waarde van de bij NN aangehouden levensverzekering.
• Ten derde heeft de Bank ten onrechte geen rekening gehouden met de toekomstige boetevrije aflossingsruimte.

3.3 In de tweede plaats stelt Consument dat de Bank hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de boeterente en dat hij geen bedenktijd heeft gekregen.

Vordering Consument (II)
3.4 Verder vordert Consument dat de Bank veroordeeld wordt tot terugbetaling van de te veel betaalde hypotheekrente. Deze vordering berust op de grondslag dat de Bank bij de bepaling van de schuld-marktwaardeverhouding ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de waarde van de bij NN aangehouden levensverzekering. Als wel rekening was gehouden met de waarde van de levensverzekering, zou de hypothecaire geldlening op 24 augustus 2016 (zie overweging 2.9) in een nog lagere LTV-klasse zijn gevallen en zou de door Consument te betalen hypotheekrente nog lager uitvallen.

Verweer van de Bank
3.5 De Bank heeft de stellingen van Consument gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig zal de Commissie bij de beoordeling daarop ingaan.

4. Beoordeling

De (eerste grondslag van de) eerste vordering: de berekening van de boeterente
4.1 De Commissie ziet zich voor de vraag gesteld of de Bank de boeterente op juiste wijze heeft berekend. De Commissie stelt daarbij het volgende voorop. In de Leidraad is – kort gezegd – bepaald dat bij de berekening van de boeterente wordt gekeken naar het verschil tussen de rentebetalingen die de bank verwacht te ontvangen (gebaseerd op de contract-rente) en de rentebetalingen die de bank nog kan ontvangen voor de uit te zetten gelden (gebaseerd op de vergelijkingsrente).

Hoewel de Leidraad in beginsel enkel van toepassing is op een daadwerkelijke vervroegde aflossing van een hypothecaire geldlening en niet op een tussentijdse renteaanpassing (zoals in onderhavig geval), heeft de Bank zich wel gecommitteerd aan de Leidraad. De Leidraad vormt daarom het relevante beoordelingskader voor de vraag of de Bank de boeterente op juiste wijze berekend heeft.

Eerste klachtonderdeel: consistente toepassing van de LTV
4.2 Consument stelt dat de Bank de LTV-opslag niet consistent heeft toegepast bij het vast-stellen van de vergelijkingsrente. De Bank is namelijk bij de vergelijkingsrente uitgegaan van een andere LTV-opslag dan de LTV-opslag bij de contractrente, terwijl een consistente toepassing volgens Consument vereist dat de Bank van dezelfde LTV-opslag uitgaat.

4.3 De Commissie overweegt dat het hier gaat om de vraag of de door de Bank gehanteerde berekeningsmethodiek in strijd is met uitgangspunt 3 van de Leidraad. In dit uitgangspunt is neergelegd dat de boeterente niet hoger mag uitvallen door een inconsistente toepassing van de LTV bij het vaststellen van de vergelijkingsrente ten opzichte van de contractrente.

4.4 De Commissie merkt allereerst op dat de Bank bij de oorspronkelijke berekening van de boeterente nog was uitgegaan van een LTV-klasse van ≤85%, maar dat de Bank bij de herberekening is uitgegaan van een LTV-klasse van ≤80%. Dit omdat de contractrente gebaseerd was op de tariefklasse “Top” en deze klasse overeenkomt met de LTV-klasse ≤80%. Bij de herberekening is de Bank bij de bepaling van de vergelijkingsrente dus uitgegaan van dezelfde LTV-klasse als de LTV-klasse waar de contractrente op was gebaseerd. Echter, zowel bij de oorspronkelijke berekening als bij de herberekening heeft de Bank verschillende LTV-opslagen gehanteerd voor de contractrente en de vergelijkings-rente. Dit omdat de Bank de LTV-opslagen heeft verlaagd, waardoor de LTV-opslag ten tijde van het vastzetten van de contractrente hoger was dan ten tijde van de tussentijdse renteherziening.

4.5 De Commissie merkt verder op dat er enige onduidelijkheid is hoe hoog de LTV-opslag precies was. De Bank heeft aangegeven dat de vergelijkingsrente een LTV-opslag van 0,0% bevatte en dat de contractrente een LTV-opslag van 0,1% bevatte. Consument stelt echter dat de contractrente een LTV-opslag van 0,3% bevatte. Consument verwijst hierbij onder meer naar de uitspraak van de Geschillencommissie Kifid 2015-311 waarin een opslag van 0,3% werd genoemd. Deze uitspraak betreft echter een zaak tegen ABN AMRO en niet tegen de Bank. Het vormt daarom geen onderbouwing van de stelling van Consument dat de door de Bank gehanteerde LTV-opslag eveneens 0,3% bedraagt. Aangezien de Bank bovendien een uitdraai heeft overhandigd waaruit een opslag van 0,1% blijkt (zie over-weging 2.10), gaat de Commissie ervan uit dat de contractrente een LTV-opslag van 0,1% bevatte.
4.6 Het komt er dus op neer dat de Bank bij het berekenen van de boeterente is uitgegaan van een contractrente met een LTV-opslag van 0,1% en een vergelijkingsrente met een LTV-opslag van 0,0%. Uitgangspunt 3 van de Leidraad vereist een consistente toepassing van de LTV. De vraag is echter of dit alleen ziet op de LTV-klasse of ook op (de hoogte van) de LTV-opslag. De Commissie is van oordeel dat uitgangspunt 3 van de Leidraad in essentie op twee manieren kan worden uitgelegd.

4.7 De eerste uitlegmogelijkheid is dat de hoogte van de LTV-opslag op consistente wijze
moet worden toegepast. Dit is de uitlegmogelijkheid die Consument voorstaat. In het onderhavige geval zou dit betekenen dat als de contractrente een opslag van 0,1% bevat, de vergelijkingsrente ook een opslag van 0,1% zou moeten bevatten (ook al is de opslag voor de betreffende LTV-klasse inmiddels gedaald naar 0,0%). Effectief komt deze uitlegmogelijkheid erop neer dat de LTV-opslag buiten beschouwing wordt gelaten bij de berekening van de boeterente.

4.8 De tweede uitlegmogelijkheid is dat de klasse waarop de hoogte van de LTV-opslag is gebaseerd (met andere woorden: de LTV-klasse) op consistente wijze moet worden toegepast. Dit is de uitlegmogelijkheid die de Bank voorstaat. In het onderhavige geval (waarin de betreffende LTV-klasse ten tijde van het vastzetten van de contractrente een opslag van 0,1% kende, maar ten tijde van de tussentijdse renteherziening een opslag van 0,0%) zou dit betekenen dat de hoogte van de LTV-opslag in de contractrente niet gelijk hoeft te zijn aan de hoogte van de LTV-opslag in de vergelijkingsrente.

4.9 Hoewel voor beide uitlegmogelijkheden iets te zeggen valt en hoewel enkele eerdere uitspraken van de Geschillencommissie Kifid lijken uit te gaan van de eerste uitleg-mogelijkheid, is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de tweede uitlegmogelijkheid de (meest) juiste is. Redengevend hiervoor is het volgende.

4.10 Verstrekkers van hypothecaire geldleningen kunnen voor elke LTV-klasse een andere LTV-opslag in rekening brengen (bovenop de standaardrente) óf per LTV-klasse een aparte tarieflijst hanteren. Per saldo zal dit voor de hoogte van de nominale rente geen verschil hoeven te maken. Dus indien de Bank de opslag voor een bepaalde LTV-klasse met 0,1% zou willen verlagen, dan kan zij:
• in het geval dat zij per LTV-klasse een aparte tarieflijst hanteert: het nominale rentetarief van de betreffende LTV-klasse met 0,1% verlagen;
• in het geval van een LTV-opslag bovenop de standaardrente: de opslag (voor de betreffende LTV-klasse) met 0,1% verlagen.

4.11 Voor de berekening van de boeterente zou het geen verschil mogen maken of de Bank aparte tarieflijsten hanteert of dat zij een LTV-opslag hanteert bovenop de standaardrente. Dit komt dus neer op het volgende:
• In het geval dat de Bank voor elke LTV-klasse een aparte tarieflijst hanteert en (zoals hierboven in 4.10 aangegeven) de nominale rente met 0,1% verlaagt, dan valt daar-door de vergelijkingsrente 0,1% lager uit dan in de situatie dat de opslagenstructuur ongewijzigd was gebleven.
• In het geval dat de Bank een LTV-opslag bovenop de standaardrente hanteert en deze opslag met 0,1% verlaagt, dan zou deze lagere LTV-opslag moeten worden mee-genomen in de vergelijkingsrente. Daardoor valt de vergelijkingsrente – net zoals in het hierboven genoemde geval van aparte tarieflijsten – 0,1% lager uit dan in de situatie dat de opslagenstructuur ongewijzigd was gebleven.

4.12 Onder de eerste uitlegmogelijkheid wordt de LTV-opslag eigenlijk buiten beschouwing gelaten. Er ontstaat daardoor een verschil tussen de situatie waarin de Bank aparte tarieflijsten hanteert en de situatie waarin de Bank een LTV-opslag bovenop de standaard-rente hanteert. Immers, door de LTV-opslag geheel buiten beschouwing te laten, wordt de lagere LTV-opslag niet meegenomen in de vergelijkingsrente, terwijl de vergelijkingsrente in het geval van aparte tarieflijsten wel 0,1% lager uitvalt (zoals hierboven in 4.11 aangegeven). Een dergelijk verschil ontstaat niet onder de tweede uitlegmogelijkheid. Dit pleit daarom voor de tweede uitlegmogelijkheid.

4.13 Bovendien vindt de eerste uitlegmogelijkheid geen steun in het (door de AFM op
26 juni 2018 gepubliceerde) rapport “Uitkomsten onderzoek naar de vergoeding voor vervroegde aflossing van de hypotheek”. Op pagina 9 van dat rapport staat het volgende: “Bij vijf aanbieders worden renteopslagen ten onterechte niet meegenomen bij de berekening van de vergoeding. Dit resulteert in een inconsistente toepassing van de opslagen in de contract- en vergelijkingsrente. Een te lage vergelijkingsrente ten opzichte van de contractrente resulteert in een te hoge vergoeding.” Hieruit blijkt dus dat het niet meenemen van renteopslagen bij de berekening van de vergoeding resulteert in een inconsistente toepassing van de opslagen in de contract- en vergelijkingsrente. Verder blijkt uit de (door de AFM op haar website gepubliceerde ) Checklist dat indien de contractrente is gebaseerd op een LTV van 100%, de vergelijkingsrente dan ook moet worden gebaseerd op een LTV van 100%. Tot slot blijkt uit de (door de AFM op haar website gepubliceerde ) voorbeeldspecificatie voor een aflossingsvrije hypotheek dat de vergelijkingsrente gebaseerd moet zijn op dezelfde “risicoklasse” als die waarop de contractrente is gebaseerd.
Dit alles pleit voor de tweede uitlegmogelijkheid, namelijk dat de klasse waarop de hoogte van de LTV-opslag is gebaseerd op consistente wijze moet worden toegepast.

4.14 Gelet op al het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de tweede uitlegmogelijkheid de (meest) juiste is. Aangezien de Bank bij de berekening van de boeterente is uitgegaan van de tweede uitlegmogelijkheid, is het daartegen gerichte klachtonderdeel dus ongegrond.

Tweede klachtonderdeel: de opgebouwde waarde van de levensverzekering
4.15 Consument stelt dat de Bank bij de berekening van de boeterente ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de waarde van de bij NN aangehouden levensverzekering. Volgens Consument komt dit overeen met een contractueel aflossingsschema en had de Bank hier dus rekening mee moeten houden.

4.16 De Commissie merkt op dat de Bank heeft aangegeven dat de tussentijdse renteaanpassing enkel betrekking had op het aflossingsvrije leningdeel en niet op het leningdeel waaraan de levensverzekering was gekoppeld. Naar het oordeel van de Commissie stelt de Bank dan ook terecht dat er geen aanleiding was om rekening te houden met de waarde van de levens-verzekering. Dit klachtonderdeel is alleen al daarom ongegrond.

Derde klachtonderdeel: de toekomstige boetevrije aflossingsruimte
4.17 Consument stelt dat de Bank bij de berekening van de boeterente ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de toekomstige boetevrije aflossingsruimte.

4.18 In lijn met haar eerdere uitspraken overweegt de Commissie als volgt. Bij het openbreken van de rentecontracten vindt er (fictief) eenmalig een (algehele) aflossing op de geldlening plaats. De Bank heeft haar cliënten toegestaan jaarlijks een percentage van de hoofdsom boetevrij af te lossen. Dit geeft de cliënten van de Bank een recht, niet de plicht tot boete-vrije aflossing over te gaan. Op het moment dat een cliënt van de Bank tot aflossing overgaat, zijn aflossingen in toekomstige jaren nog zuiver hypothetisch. Om die reden kan de Bank er niet toe gehouden worden de toekomstige boetevrije aflossingsruimte mee te nemen in haar berekening van de boeterente. Zie onder meer Geschillencommissie Kifid 2017-514, 2018-608 en 2019-141. Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

De (tweede grondslag van de) eerste vordering: informatieverstrekking over de boeterente
4.19 Consument stelt dat de Bank hem (vooraf) beter had moeten informeren over de boeterente. Consument had dan de mogelijkheid gehad om de tussentijdse rente-aanpassing te heroverwegen.

Consument verwijst daarbij naar punt 5 van de Leidraad en naar de wettelijke eis dat de informatie op papier of op een andere duurzame drager moet worden verstrekt.

4.20 De Commissie begrijpt dat Consument hiermee naar artikel 7:127 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek verwijst. Dit artikel is evenwel van toepassing op vervroegde aflossingen en niet op tussentijdse renteaanpassingen. Hoewel een tussentijdse renteherziening in bepaalde opzichten vergelijkbaar is met een vervroegde aflossing, betekent dit niet dat regels die betrekking hebben op vervroegde aflossingen onverkort van toepassing zijn op tussen-tijdse renteaanpassingen. Kortom: anders dan Consument meent, is er dus geen regel die voorschrijft dat de Bank informatie over de boeterente bij een tussentijdse rente-aanpassing via een duurzame drager aan Consument verstrekt. Het klachtonderdeel is daarom ongegrond.

4.21 Overigens heeft de Bank Consument wel een bevestiging gestuurd van de (telefonisch overeengekomen) tussentijdse renteaanpassing. Consument is immers per brief van
18 augustus 2016 geïnformeerd over de berekening van de boeterente (zie overweging 2.6 en 2.7).

De tweede vordering: de bepaling van de schuld-marktwaardeverhouding
4.22 De tweede vordering van Consument behelst dat de Bank veroordeeld wordt tot terugbetaling van de te veel betaalde hypotheekrente. Consument stelt dat de Bank bij de bepaling van de schuld-marktwaardeverhouding ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de waarde van de bij NN aangehouden levensverzekering. Als wel rekening was gehouden met de waarde van de levensverzekering, dan zou de hypothecaire geldlening op 24 augustus 2016 (zie overweging 2.9) in een nog lagere LTV-klasse zijn gevallen en zou de door Consument te betalen hypotheekrente nog lager uitvallen.

4.23 De Commissie stelt allereerst vast dat er geen contractuele bepaling is die de Bank verplicht om bij de bepaling van de schuld-marktwaardeverhouding rekening te houden met de waarde van de bij NN aangehouden levensverzekering. Consument verwijst evenwel naar een passage uit de brief van de Bank van 18 augustus 2016 waarin staat: “totale hypotheekschuld: € 550.000,- (als voor u van toepassing: inclusief limiet krediet-hypotheek en minus spaarsaldo Postbank Spaarhypotheek)” (zie overweging 2.7). Volgens Consument is er in zijn geval sprake van een dergelijk spaarsaldo, aangezien de inleg op de levensverzekering voor 100% wordt geïnvesteerd in het Hypotheek Rente Fonds. Naar het oordeel van de Commissie kan dit echter niet worden gelijkgesteld aan het in de brief bedoelde spaarsaldo en volgt hier dus niet uit dat de waarde van de bij NN aangehouden levensverzekering moet worden meegenomen bij de bepaling van de schuld-marktwaardeverhouding.

4.24 Verder overweegt de Commissie dat de Bank een grote mate van vrijheid heeft wat betreft het bepalen van haar rentebeleid. Deze vrijheid wordt evenwel ingeperkt door 1) de wet en 2) de eisen van redelijkheid en billijkheid. In het onderhavige geval is het beleid van de Bank niet in strijd met de wet. Er is namelijk geen wettelijke regel die de Bank verplicht om bij de bepaling van de risicoklasse rekening te houden met de waarde van elders aangehouden levensverzekering. Ook is het beleid van de Bank niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (in de zin van artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek). In eerdere uitspraken heeft de Commissie al geoordeeld dat banken de waarde van een elders aangehouden verzekering buiten beschouwing mogen laten. Zie onder meer Geschillencommissie Kifid 2016-267, 2017-110 en 2017-614. In deze uitspraken is onder meer overwogen dat het voor een onaanvaardbaarheidsoordeel onvoldoende is dat een ander beleid ook en wellicht beter verdedigbaar zou zijn.

4.25 Kortom: bij de bepaling van de schuld-marktwaardeverhouding hoeft de Bank geen rekening te houden met de waarde van de bij NN aangehouden levensverzekering.

Hoger beroep
4.26 Naar het oordeel van de Commissie rechtvaardigt het belang van deze zaak dat partijen hoger beroep kunnen instellen. De Commissie zal daarom, op de voet van artikel 2.2 onder a van het Reglement Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening, bepalen dat voor beide partijen hoger beroep openstaat.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vorderingen van Consument af.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. U kunt de zaak ook aan de rechter voorleggen.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact